Tweede Pracicumtoets Moleculaire Biologie

1. Je ontdekt een mutatie petunia plant die witte bloemen maakt. Je voert een RT-PCR analyse uit van verschillende genen van biosynthese route van de anthocianen. Je vindt geen transcriptie voor het dfr, rt en andere genen die actief zijn later in de route.

a. Een gen vroeg in de route is gemuteerd

b. Een regulator gen is gemuteerd

c. Er ontbreekt een chromosoom

d. Het dfr gen is gemuteerd

2. Hoe kan een gele petunia met magenta spotjes ontstaan?

a. Door een transposon insertie in chi en een stabiele mutatie in hf1

b. Door een transposon insertie in chs en een stabiele mutatie in hf1

c. Door een transposon insertie in f3h en een stabiele mutatie in hf1

d. Door een transposon insertie in chi

3. Tussen de nakomelingen van deze plant vind je een petunia die gele bloemen heeft met witte spotjes. Dit komt door:

a. Door een transposon insertie in chs en een stabiele mutatie in rt

b. Door een transposon insertie in chi en een stabiele mutatie in dfr

c. Door een transposon insertie in dfr en een stabiele mutatie in chi

d. Door een transposon insertie in dfr en een stabiele mutatie in chs

4. Je moet het eiwit J detecteren via Western blotting. Je hebt al een konijn anti-J antilichaam, welk antilichaam heb je nogig als secundair antilichaam?

5. Een blonde vrouw paart met een negroide man. Het gaat hier om de haarkleur. De blonde vrouw is blond en heeft dus een mutatie in het Zwarthaar gen (zh). Haar partner heeft een niet gemuteerd zwarthaar gen. Ze krijgen 7 kinderen: 6 met zwarte haren, 1 genaamd Linda die blonde haren heeft met zwarte plukjes.

Linda paart met Jack die blond is. Ze krijgen 4 kinderen: 2 met Linda haar, 1 met zwart haar en 1 met blond haar.

De negroide man vertrouwd het geval niet helemaal en besluit een onderzoek uit te laten voeren om er achter te komen of er overspel is gepleegt.

Van Linda, Jack, hun blonde (jongen) en zwarte kind (meisje) zijn samples genomen.

Wekle bandjes bevatten wild type DNA?

6. Hoe groot is het intron?

7. Geef eventuele mutaties aan.

8. Klopt alles of is er overspel gepleegt?

9. (bij deze vraag krijg je drie sequenties: A, B en C) welke is het cDNA, het wild type en het wild type + transposon?

10. Waar zijn de splice sites, de TSD en de TIR (van de TSD en de TIR moet je de lengtes aangeven)

11. (hier krijg je vier sequenties) Markeer de footprints en geef aan hoe groot ze zijn

12. Geef aan wat het fenotype is

13.

Uit hoeveel planten bestaat de populatie maximaal?

14. Hoeveel transposities kan je hier zien? Wat zijn hun coordinaten?

15.

Geef ze aan in de tekening

16. Als de transposon geen poly-adenylatie sygnaal afgeeft, wat zijn dan de fenotypes van de planten?

17. In een plant die an1 negatief en dfr negatief is wordt een 35S-an1-GR en een dfr-GUS gen ingebracht. Vervolgens worden bepaalde bloemen met DEX behandeld. Vul de tabel in.

Anthocyanen GUS-activiteitpH(+ wel, - geen activiteit)
Geen DEX
Wel DEX