HOME: VERDEC

Tentamen Microbiologie



Instructies



Beantwoord elke subvraag op de stippellijntjes. Mochten de stippellijntjes U onvoldoende ruimte geven, dan kunt U op de achterkant van hetzelfde blad doorgaan, mits U dat duidelijk aangeeft (ZOZ en vraagnummer). Bij het beantwoorden van de deelvragen zijn soms de antwoorden op de eerdere deelvragen nodig. In geval U de eerdere deelvraag niet hebt kunnen beantwoorden, dan kunt U voor dat antwoord een willekeurige waarde invullen, waarbij U dat dan wel aangeeft. If you prefer you can answer the questions in languages other than Dutch, notably English, French or German. For translations into, please consult the assistant.





Vraag 1



Kluyver was een beroemd Nederlands Microbioloog. Het vitalisme was net afgeschaft, toen hij opmerkte dat men altijd wel een microorganisme kan verkrijgen dat een bepaalde stof afbreekt, door die stof op een bodem te sprenkelen, dat gedurende een maand of wat te herhalen, en dan wat van die bodem in cultuur te nemen in aanwezigheid van wat mee van die stof. Na verdere verrijking ontstaat dan uiteindelijk een reincultuur van het gewenste microorganisme dat de (on)gewenste stof afbreekt. Op het practicum heeft U geleerd dat U steriel moet werken met microorganismen, omdat er anders contaminatie (d.w.z. verontreiniging met andere microorganismen) optreedt. In het boek heeft U gelezen hoe wijn en bier gemaakt worden en hoe afval verwerkingsinstallaties functioneren onder niet steriele condities.



a. Verklaar dat de laatste drie processen toch functioneren uit een principe dat lijkt op de wet van Kluyver.

..................... .................................. .................................. ........................... .................... ................. ............................ ............................... ........................... ................ .......... ..................... ...................... ........................................................... .......................... .......



b. Welke twee effecten liggen aan de wet van Kluyver ten grondslag?



1. ............... ................ ................. ............. ................... .................. ................... ...........



2. ........... ............... ............... ................ ................. ................... ................ ...............



c. Geef ook aan wat de implicatie van dit verschijnsel is voor verschillende infectieziekten:



................ ............. ............... ................... ................. ....................... ................... ................. ............ ................ ....................... .................





Vraag 2



Campylobacter is een gram-negatieve Bacterie, die momenteel nogal in het nieuws is.



a. Waarom nu juist?



Omdat ............................................ ...................... ............................ ........



b. Wat kan er gedaan worden om het gevaar te weren?



........................ .................. ....................... ............................ ........................ .......................



c1. Escherichia coli is zo bekend dat hij daardoor bijna onschuldig lijkt. Hij komt zelfs gewoon in onze darmen voor. Waarom gaat dat eigenlijk goed? .............. ............... .............. ........... ............ ....... ........... ............ ............ .......... ............... ................ .............. .........



c2. Toch zijn bepaalde varianten wel erg gevaarlijk, te weten E. coli O157:H7.



Waarom?...... ..................... .................. ..................... ....................... ..................... .............



c3. Waar slaan de termen O157 en H7 overigens op?



Op ................. ................... ....................... ...................... ........................ .......................... ....................... .................. . .. ... ...... ..................... ..................... ..................... ......................... .........................



d1. Sommige gevaarlijke eigenschappen zijn frequent overdraagbaar tussen verschillende bacteriële soorten. Hoe komt dat?

............................... ................. .................... ...................... ... .................. ............................... .................. ......................... ...................



d2. Wat voor consequenties heeft dat voor laboratorium werkzaamheden? ...................... ..... ......... ........... ..................... ...........................





Vraag 3



De Bacteria vormen een koninkrijk in het rijk van de levende organismen. Aanvankelijk werden zij gelijk geschakeld met de groep van prokaryoten.



a. Wat is het verschil tussen prokaryoten en eukaryoten dat in hun naam tot uiting komt?



De eukaryoten hebben een................................... en de prokaryoten niet.



b. Wat is het tweede koninkrijk binnen de prokaryoten?



De .......................................................



c. Welke methode heeft de doorslag gegeven bij het vinden van dit soort indelingen?



De methode van het vergelijken van ................ ................ ............. .............. ........................................ ......... .................... ......... .....................



d. Wat was de oudere methode, die ertoe leidde dat de eerdere indeling redelijk goed was, maar recentelijk toch veranderd moest worden?



De oudere methode was gebaseerd op het vergelijken van .... .......... .................. ...................... . ..................... ................ ............... ......... ................. .................. ....................



e. Hoe verandert eigenlijk volgens de evolutieleer de ene soort in een nieuwere soort.



Dit gebeurt door ..............................., dat zijn ................ ............... .............. ............... ..... ................ ............... .............. ............... ..... Deze worden gevolgd door ......................................... ..................... ........... .................... .................... ........



f. De cel bevat drie type grote moleculen en moleculaire complexen, te weten lipiden, nucleïne zuren en eiwitten. Zijn er verschillen in deze type moleculen tussen de twee typen prokaryoten? Zo ja, wat zijn de verschillen?



Lipiden: .Ja/Neen..... ..... .................. ............... ................ .......... ................. ............... .............



Eiwitten: .Ja/Neen. .............. ........................... ................... ................... ................ ..................



Nucleinezuren: Ja/Neen........... .............. ........... ...................... ...................... .................. .......



Als U het antwoord niet weet, verzin het dan op basis van wat U weet van de verschillen in leefomstandigheden.





Vraag 4



Maagzweren kreeg je tot voor kort van stress, verkoudheid van het in een tochtige Amsterdamse tram staan, en AIDS van homoseksueel zijn.



a. Geef voor elk van deze drie ziektes aan waar ze wel door veroorzaakt worden:

Maagzweren ................................................................................................................................



Verkoudheid ...............................................................................................................................



AIDS ........................................................................................................................................



b. Geef aan tegen welke antibiotica wel : ............................... ..................... of niet: ................... ......... ............... zullen werken en waarom: ............................ ........................... ........ ................... ... ...................... ...................... .......... .... ......



c. Geef ook aan waarom stress en de Amsterdamse tram en homoseksueel zijn toch verhoogde risico's blijken te geven voor de bijbehorende ziektes: Maagzweren en stress: .................... .................. .......................... .............................................



Verkoudheid en de tram: ............. ................... ..................... ................... ................... ...........



AIDS en homosexualiteit: ............... .................. ............................. ....................... .............





Vraag 5



MicrobiÙle verontreiniging kan in de hand gehouden worden door remming (inhibition) of sterlisatie. Als X(t) staat voor het aantal cellen in een cultuur op tijdstip t, en dX/dt als de toename van het aantal cellen per tijdseenheid, dan wordt wel geschreven: dX/dt = m . X(t) Hierbij is m de specifieke groeisnelheid. Onder bepaalde voorwaarden kan deze vergelijking geŽntegreerd worden tot: X(t) = X(0).em.t



a. Welke van de factoren in deze vergelijking wordt beinvloed door remming en welke door sterilisatie?



Remming: ...................



Sterilisatie: ............................................



b. Schets hieronder een bacteriecultuur die vanaf t=0 exponentieel groeit. Geef met een stippellijn in dezelfde figuur aan wat er zou gebeuren als er op t=5 een remmer wordt toegevoegd die de specifieke groeisnelheid met 90 % remt. Geef met een gearceerde lijn aan wat er gebeurt als je op t=5 zodanig steriliseert dat 90 % van de BacteriÙn dood gaat.



c. Er is een verschil in effect tussen de twee manieren van groeicontrole.



Op korte termijn werkt. ... .............. ............. ........ beter.



Op lange termijn werkt ........... ..................... ................ ..... beter, omdat ............. ........................ ...................... ....................... ..................







Vraag 6. [PRACTICUMVRAAG]



a. Waardoor zullen bij een experiment waarbij faag P22 wordt gedruppeld op platen met Salmonella S802 de ophelderingszones groter zijn dan de oorspronkelijke om-vang van de opgebrachte druppel faag-suspensie?



Omdat ......................................... ................. ............................ ........................................................... ..................... optreedt.



b. Welke factor bepaalt de uiteindelijke omvang van de ophelderingszone? De ........... .......... ............. .............. toestand van de bacteriÙn. Als zij over veel ............ ..................... ................................. ..................... ........................ beschikken dan ............. ................ ..................... ....................... .................. ............. . .......................................................................................................







Vraag 7. [PRACTICUMVRAAG]



a. Wanneer E. coli groeit met lactose als enige C-bron, dan wordt dit door het béta-galactosidase omgezet in glucose en galactose. Waarom blokkeert de aldus gevormde glucose niet via het mechanisme van katabolietrepressie de verdere afbraak van dit lactose?



Het door béta-galactosidase gevormde glucose ............................................ en daardoor ................................. ..................... ...................... .en veroorzaakt het dus geen katabolietrepressie.



b. Als de bacteriën op glucose gegroeid worden dan vindt zo'n blokkade wel plaats. Dit komt doordat .......... ............................ .............................. ............................... ............................. ....................... ................... ............................. ............................ ................................ ..........................



c. Gist heeft een passief transport systeem voor glucose. Zal cataboliet repressie door glucose dan op dezelfde wijze kunnen werken?



Neen/ Ja, omdat .................... ...................... ...........................