HOME: VERDEC

Tentamen methodologie

Instructies

Voor het tentamen is twee uur beschikbaar. De vraagstukken worden bij goede beantwoording als volgt gewaardeerd:



4 punten voor vraagstuk 1



2 punten voor vraagstuk 2 (1 punt per deelvraag)



4 punten voor vraagstuk 3 (1 punt per deelvraag)



VRAAGSTUK 1



In veel gebieden van Nederland wordt huishoudelijk afvalwater zonder zuivering geloosd in sloten. Het afvalwater bevat vaak zware metalen en diverse organische verbindingen in concentraties die volgens wettelijke normen veel te hoog zijn. Het afvalwater komt vaak terecht in sloten waar koeien water uit drinken. Veehouders in gebieden waar dit gebeurt, constateren tot hun verdriet dat hun koeien vaker miskramen krijgen of dode kalveren ter wereld brengen dan koeien in andere gebieden. Ze weten dat in de sloten metalen en diverse organische verbindingen in te hoge concentraties voorkomen. Zij trekken uit de informatie die ze hebben [op te vatten als premissen van een argument] de conclusie dat de verontreiniging van de sloten de narigheid veroorzaakt.



Vind je de argumentatie van de veehouders redelijk? Beantwoord deze vraag hierna met een korte toelichting erbij. Formuleer in ieder geval de premissen waarop de conclusie van de veehouders is gebaseerd, en vermeld of het gaat om een deductief argument, of om een inductief argument.



VRAAGSTUK 2



Veel onderzoek is tegenwoordig gericht op de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen voor AIDS-patiënten. Vaak worden zulke geneesmiddelen aangeduid als AIDS-remmers. Wanneer zou je een geneesmiddel met recht kunnen aanmerken als AIDS-remmer? Om die vraag te beantwoorden moeten we allereerst weten wat het begrip "AIDS-remmer" precies betekent.



Twee onderzoekers definiëren dit begrip verschillend, als volgt:



Onderzoeker 1 Een AIDS-remmer is een stof die de verspreiding van HIV-virussen (virussen die AIDS veroorzaken) in het lichaam tegengaat.



Onderzoeker 2 Een AIDS-remmer is een stof die bij toediening de levensduur van AIDS-patiënten verlengt.



Beide onderzoekers stellen dat de regering het gebruik van stoffen die blijkens onderzoek AIDS-remmers zijn, moet goedkeuren. Onderzoeker 1 experimenteert (na goedkeuring van de autoriteiten) met een nieuw middel, anti-aiduline, en concludeert dat het om een krachtige AIDS-remmer gaat die het immuunsysteem positief beïnvloedt. Onderzoeker 2 doet vervolgens experimenten (eveneens na goedkeuring), en concludeert dat anti-aeduline géén AIDS-remmer is omdat het gebruik ervan geen invloed heeft op de levensduur van AIDS-patiënten.



Beantwoord de volgende vragen door het onderstrepen van een van de weergegeven antwoorden.



a. Is het mogelijk, om door middel van andere experimenten uit te maken, of de definitie van onderzoeker 1 beter is dan die van onderzoeker 2 (of omgekeerd)? ja / nee



b. Veronderstel dat de conclusie van een van de twee onderzoekers juist is. Kunnen we, door toepassing van logica, daaruit afleiden dat de conclusie van de andere onderzoeker onjuist is? ja / nee



VRAAGSTUK 3



Over de bouw van nieuwe radio-zendmasten bij Kootwijk bestaat al geruime tijd onenigheid. Veel inwoners van Kootwijk schrijven allerlei ziekteverschijnselen toe aan het gebruik van de huidige zendmasten, die een beperkt vermogen hebben. Ze verzetten zich hevig tegen het plan om nieuwe zendmasten (met een groter vermogen) te plaatsen.



Een politicus geeft de volgende reactie: "Wetenschappelijke onderzoekers zijn er niet in geslaagd, een negatieve invloed van de huidige zendmasten op de volksgezondheid aan te tonen. De regering moet plaatsing van nieuwe zendmasten derhalve goedkeuren."



Deze reactie kunnen we met recht opvatten als een argument; de eerste zin is de premisse van het argument, de tweede zin is de conclusie. (Het woordje "derhalve" ondersteunt deze interpretatie. Het karakteriseert de relatie tussen premisse en conclusie, en hoort dus niet bij de conclusie op zich.)



Beantwoord de volgende vragen door het onderstrepen van een van de weergegeven antwoorden.



a. Is verificatie van de hypothese "de huidige zendmasten beïnvloeden de volksgezondheid niet negatief" in principe mogelijk? ja / nee



b. Het argument is (in de weergegeven vorm) niet een geldig deductief argument; het gaat om een drogreden. Is het argument een NATURALISTISCHE drogreden? ja / nee



c. Vervang in gedachten de premisse door de bij a genoemde hypothese. Voeg eveneens in gedachten de volgende premisse toe. "Als de huidige zendmasten de volksgezondheid niet negatief beïnvloeden, dan moet de regering plaatsing van nieuwe zendmasten goedkeuren." Is het argument dat we zo krijgen wél geldig? ja / nee



d. Ben je het eens met de volgende stelling? "Als het bij c bedoelde argument geldig is, dan is de conclusie van het argument acceptabel." ja / nee