Tentamen Inleiding in de Levenswetenschappen

1. Een onderzoeker behandelt 5 groepen zebravinken met een van de behandelingen At/m E zoals aangegeven in de tabel hieronder. Hij geeft de behandelingen met hormonen of hormoonblokkersw tijdens de ontwikkelingsfase. De dieren groeien verder onder normale condities op. De onderzoeker test het zanggedrag op een tijdstip dat de ontwikkeling van de onbehandelde dieren afgerond zou zijn. De behandelingen beinvloeden het zangpatroon wel of niet; als ze het zangpatroon beinvloeden is dat in meer of mindere mate.

De onderzoeker dient de hormonen of hormoonblokkers direkt en langdurig in de hersenen toe. Een oestrogeen blokker blokkeert de werking van oestrogeenreceptoren.

Geef voor elke groep aan wat er met het zangpatroon aan de hand is tijdens de test. Vul de onderstaande tabel in door telkens een kruisje per rij te zetten.

Behandeling Zangpatroon
Afwezig Compleet Onvoldoende of geen zang
A. Vrouwtje uit ei + oestrogeen tot +- 80 dagen, dan + testosteron B. Mannetje uit ei+oestrogeenblokker C. Mannetje 60 dagen uit ei + testosteron D. Vrouwtje na 25 dagen uit ei doof gemaakt
E. Mannetje na 25 dagen uit ei doof gemaakt



Licht de keuze van elk van de kruisjes toe.

2. Bij de Lemming loopt de geslachtsgemeenschap van X en Y chromosomen, maar er is wel iets bijzonders aan de hand. Het X-chromosoom komt in twee vormen voor, een normale die we met X weergeven, en een gemuteerde, die we met X* weergeven. De betrokken mutatie beinvloed de sexe-bepaling: het genotype X*Y ontwikkelt zich als een vrouwtje. X*Y vrouwtjes produceren slechts een type eicellen, die een X* chromosoom bevatten.

a. Welke genotypen komen in de populatie voor (met betrekking tot de geslachtschromosomen)?

b. Geef van elke mogelijke kruising tussen fenotypische mannetjes en vrouwtjes de verwachte verhouding van mannetjes en vrouwtjes in de volgende generatie.

c. De X*Y vrouwtjes hebben een functioneel Sry-gen. Wat kun je hieruit concluderen over de genetische basis van de ontwikkeling van de testis?

Op het Y-chromosoom liggen maar heel weinig genen. Dit geldt niet voor het X-chromosoom. Vrouwen hebben dus twee exemplaren van alle genen die op het X-chromosoom liggen, mannen maar een. Vroeg in de ontwikkeling wordt bij vrouwen echter i elke cel een van de twee X-chromosomen geinactiveerd. Bij alle cellen die door deling uit die cel ontstaan wordt hetzelfde X-chromosoom geinactiveert.

d. Bij de Lemming komt het relatief vaak voor dat eem individu een afwijkend aantal geslachtschromosomen heeft. Geef van de volgende afwijkingen aan of het fenotypisch mannetjes of vrouwtjes zijn. N.B.: bij sommige genotypen zijn meerdere fenotypes mogelijk?

(O geeft aan dat er maar een geslachtschromosoom is)

XXY

X*XY

X*YY

XO

X*O

3. Je opa, de vader van je vader, lijdt aan de ziekte van Huntington. Bij deze ziekte treedt tussen de 45 en de 50 vroege dementie op. De ziekte is niet geslachtsgebonden en erft dominant over. Er is geen behandeling voor. Jou vader is 43 en vertoont geen symptomen van de ziekte.

a. Hoe groot is de kans van ook jij erfelijke aanleg voor deze ziekte hebt?

Omdat je plannen maakt om voor langere tijd naar het buitenland te gaan, wil je je laten testen op de ziekte van Huntington. Hiervoor is een goede DNA-test beschikbaar. Je bespreekt dit met je vader. Hij vindt het prima dat je jezelf laat testen maar wil pertinent de uitslag niet weten.

b. Leg uit wat de consequentie van de uitslag kan zijn voor de rest van het gezin.

c. Geef aan de hand van de criteria voor genetisch screeningsprogramma aan of het zinvol is om een screeningsprogramma op te zetten voor de ziekte van Huntington.

d. Stel dat besloten wordt tot een screeningsprogramma. Welke doelgroep zou jij dan kiezen?

4. Onderzoek bij de Seycheles warbler (een soort rietzanger) op Cousin island laat zien dat ook bij deze vogelsoort hulpgedrag bestaat. Dit hulpgedrag werd vooral waargenomen in gebieden met rijke vegetatie, weinig wind en relatief veel insecten. Hoewel er voldoende andere broedplaatsen aanwezig waren, veranderde dit hulpgedrag niet.

Jonge vogels die direct zelf gaan broeden brengen gemiddeld 1 jong groot. Wanneer de ouders ervaren zijn kunnen ze meer jongen laten uitvliegen, gemiddeld zo een 1,8 jong. Met een gemiddeld aantal van 1,4 helpers komt dit aantal uit op 4,6. De helpers zijn wel verwanten, maar niet altijd directe verwanten. Gemiddeld is de coefficient van verwantschap 0,3.

a. Laat met een berekening zien of het voor helpers voordeliger is te helpen dan om zlef te nestelen.

Vroeger dacht men dat vogels in de regel monogaam waren. DNA-onderzoek toont echter aan dat dit beeld niet correct is. Bij de oeverzwaluw blijkt zo een 30 procnt van de jongen een andere ouder te hebben dan degene die het jong grootbrengen.

b. Wat is in een gemiddeld nest de coefficient van verwantschap tussen: moeder en jong en vader en jong.

c. Zel een jongen vogel eerder geneigd zijn haar/zijn moeder of vader te helpen, op grond van de genetische verwantschap?

5. Er bestaan veel rassen aardbeiplanten. Als je als veredelaar wilt dat juist jouw planten gekocht worden moet je zorgen dat de aardbeien van jouw planten lekkerder smaken en er beter uitzien dan de aardbeien van de concurrent. Jij en je concurrent beginnen met hetzelfde ras. Hoe kun jij, zonder gebruik te maken van de moderne biotechnologie, ervoor zorgen dan je grotere aantallen betere aardbeiplanten te koop aan kan bieden?

6.

a. Noem drie problemen die een endoparasiet moet oplossen om in de gestheer zijn levenscyclus voort te kunnen zetten.

b. Waarom heeft een parasiet er belang bij ervoor te zorgen dat zijn/haar gastheer zich niet meer voortplant?

c. Wat is het belangrijkste verschil tussen een parasiet en een parasitoid?

d. Noem een practische toepassing van deze eigenschap van een parasitoid.