HERKANSING PATHOLOGIE 2003-01-02

  1. Welk onderzoek zou je kiezen om de werking van omgevingsfactoren of van genetische factoren op het ontstaan van een bepaald ziektebeeld te bestudenren?
  2. Wat is hypertrofie? Noem twee voorbeelden.
  3. Wat is hyperplasie? Noem twee voorbeelden.
  4. Wat produceren gronulomen en macrofagen?
  5. Waarom is de kans veel groter dat een moeder een immuun reactie opbouwt tegen haar kind als de een rhesus positief en de andere rhesus nagatief is, dan wanneer er een verschil bestaat in de bloedgroep (ABO)?
  6. Wat is de functie van de centrale follikel respons? Noem de twee celtypen die daarbij ontstaan.
  7. Hoe ontstaat een thrombus? Noem daarbij de Virchof factoren.
  8. Schets een plaatje van een atherosclerotische plaque. Geef daarbij de componenten aan.
  9. Waarom hebben albino’s een grotere kans op kanker? Noem een kanker die vaak bij ze voorkomt?
  10. Noem 4 erfelijke ziekten (waarbij de erfelijkheid de nagenoeg enige oorzaak is).
  11. Noem 3 types gliacellen. Geef de functie en geef aan wat er met ze gebeurd bij weefselschade.

(in totaal 20 vragen. Sommige komen overeen met het tentamen van 2002.)

12. Oedeem wordt ingedeeld op basis van zijn pathologisch oorsprong. Geef die indeling aan.

TENTAMEN PATHOLOGIE 2002

  1. Noem twee voorbeelden van ziekten waarbij naast omgevingsfactoren ook genetische factoren een belangrijke rol spelen. Geef 3 voorbeelden van ziektes met (nagenoeg alleen) een genetische oorzaak.
  2. Noem 3 eigenschappen van bacterien die een rol kunnen spelen bij de pathogenese van ziekten veroorzaakt door bacterien.
  3. In de histopathologie worden naast de HE-kleuring extra kleuringen gebruikt. Geef aan wat er met de volgende kleuringen zichtbaar gemaakt kan worden:

a)      Masson-Fontana

b)     Ziehl-Neelsen

c)      Gram

d)     PAS

  1. Wat is dysplasie en wat zijn de histologische kenmerken?
  2. Indien gespecialiseerd weefsel fors is beschadigd begint een proces dat we organisatie noemen. Beschrijf hoe dit proces zich voltrekt b.v. in een diepe huidwond.
  3. Geed de definitie van een embolus. Wat kunnen de systemische gevolgen zijn van een embolus?
  4. Er bestaan vele weefseldisposities, een daarvan is calcificatie. Kunt u twee typen calcificatie noemen die in Underwood hft 7 worden besproken en kunt u in twee zinnen het verschil tussen deze beide aangeven?
  5. Jicht is een akelinge ziekte waarbij tophi in de weefstels neerslaan. Waar bestaat deze tophi uit (welke stof) en welk gewricht is bij jicht zeer vaak aangedaan?
  6. Wanneer bereiken de Arthus reactie (Type III) respectievelijk de immediate type I reactie hun hoogtepunt, en waarom dat verschil?
  7. Noem een ziekte waarbij allogene beenmerg transplantatie wordt toegepast. Wat is de ernstigste complicatie die daarbij kan optreden?
  8. Geef drie sequelae (gevolgen) van een ontstekingsproces
  9. Geef de definitie van een ontsteking
  10. Geef een definitie van een abces
  11. Geef een definitie van een granuloom
  12. De complement cascade kan een product vormen wat cellen lyseert. Hoe heet dit product?
  13. De complement cascade vormt ook producten die binden aan de membraan/cel wand van microben, zodat de fagocytose vlotter kan verlopen. Hoe heet dit proces?
  14. De complement cascade vormt producten die ontstekingscellen aantrekken. Hoe noemt men die?
  15. Noem drie typen exogene factoren betrokken bij het ontstaan van kanker en geef van elke een voorbeeld met bijbehorende vorm van kanker.
  16. Beschrijf de functie van tumorsuppressorgenen en in welke 2 subgroepen ze kunnen worden onderverdeeld
  17. Wat is een aneurysma?
  18. Hoe kan een anaurysma worden veroorzaakt?
  19. Beschrijf de complicaties van een atherosclerotische plaque.
  20. De respiratoire mucosa is perifeer bekleed met…
  21. Bronchopneumonie wordt gekenmerkt door…
  22. Pneumonie veroorzaakt door influenzavirus is:

a)      meestal chronisch

b)     soms acuut lethaal

c)      komt alleen voor bij immuunsuppressie

d)     komt niet voor

  1. Welke tumor groeit vaak endobronchiaal?
  2. De prognose van een coloncarcinoom wordt bepaald door…
  3. Bij een 70-jarige man wordt bij scoopie een poliep in het colon gezien. Wat is de meest waarschijnlijke uitslag bij bistopathologisch onderzoek van een biopt uit deze poliep?
  4. Welke van de volgende hispopathologische beschrijvingen van duodenum slijmvlies past het best bij coeliakie?

a)      plompe vlokken en ontstekingsinfiltraat in de lamina propria

b)     vlokatrofie met atrofie van de crypten

c)      vlokatrofie met toename van intra-epitheliale lymfocyten

d)     normale clok-crypt verhouding met ontstekingsinfiltraat in de lamina propria

  1. Patiënten met lang bestaande coeliakie hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van:

a)      colitis ulcerosa

b)     morbus Crohn

c)      maligne T-cel lymfoom

d)     maligne B-cel lymfoom

  1. Noem een verklaring waarom de meeste B-cel lymfomen ontstaan uit een follikelcentrum
  2. Wat is het verschil tussen Hodhgkin en non-Hodhgkin lymfomen?
  3. Het pathogenetische mechanisme bij psoriasis kan deels worden verklaard door de therapie die effectief is bij deze ziekte, zoals methotrexaat en vitamina A retinoiden. Licht dit toe.
  4. Wat is eczeem? Noem 2 vermen van eczeem en de vermoedelijke oorzaak van elk van deze.
  5. Wat is centrale chromatolysis en anterograde degeneratie? Licht dit toe met een schets.
  6. Welke gevolgen kan hypertensie hebben voor de hersenen en voor de patiënt?