|
Tentamen Neurofysiologie, 7 mei 2001
Opmerkingen vooraf
Het tentamen bestaat uit 40
multiple choice vragen die tezamen 80% van de eindbeoordeling bepalen,
plus de keuze uit 2 open vragen waarvan de antwoorden voor 20% meetellen.
Let op bij de multiple choice
vragen aangezien de instructies voor de vragen 1-20 anders zijn (nl.
één goed antwoord aankruisen), dan voor de vragen 21-40
(nl. een of meerdere goede antwoorden aankruisen).
De keuze van de open vragen
is zo dat je een vraag kunt kiezen uit een artikel dat is behandeld
tijdens een van de journal clubs waaraan je hebt deelgenomen.
Je moet zelf vooraf besluiten
welke vraag je wilt beantwoorden. Dit betekent dat het beantwoorden
van beide vragen niet de moeite waard is omdat je er geen extra punten
mee kunt verdienen. Slechts één antwoord wordt beoordeeld.
Schijf a.u.b. zo duidelijk mogelijk.
Succes!
A.B.B.
Instructie
voor vragen 1-20: Geef
op je antwoordenblad aan welke antwoord waar is. Er is slechts één
antwoord per vraag het goede.
1.
Patiënten met cystic fibrosis hebben:
a. geremde chloride
transport of flux in de longen
b. gestimuleerde calcium flux
in de zweetklier
c. geblokkeerde natrium stroom
in de lever
2. Het bewijs dat een nieuw
gen met onbekende functie codeert voor een ionkanaal is dat:
a. recombinant expressie van
cDNA van dit gen leidt tot blokkade van een ionstroom
b. gezuiverd eiwit
(genproduct) in een artificiële bilayer een ionstroom geeft
c. analyse van de hydrofobe
gedeelten van dit eiwit doet vermoeden dat het om een ionkanaal gaat
3.
Patiënten met cystic fibrosis leiden het meest aan hun afwijkingen
in de:
a. lever
b. zweetklieren
c. longen
4.
De Na+/K+
pomp in neuronen pompt:
a. Na+
naar binnen en K+
naar buiten
b. Na+
naar
buiten en K+
naar
binnen
c. Na+
en K+
naar buiten
5.
Van een bepaald type ionkanaal is de single channel slope conductance
40 pA (pico = 10-12).
Er staan op een bepaald moment in de tijd 500 van deze kanalen tegelijk
open bij een "driving force" van 50 mV. hoe groot is de ionstroom die
er op dat moment loopt?
a. 1000 A
b. 1000 pA ofwel 1
nA ====>> (I=g*(Veq-Vm) of I=g*V, dus I = 50*10^-3V * (40 pA*500)
<<====
c. 20050 pA
6. Bij de rustmembraanpotentiaal
van bv. -70 mV is de "driving force" van de:
a. kalium-geleidbaarheid >
dan die van de natriumgeleidbaarheid
b. natrium-geleidbaarheid
> dan die van de kaliumgeleidbaarheid
c. natrium- en de kalium-geleidbaarheid
gelijk
7. De lengteconstante van de
neuronale membraan met alleen maar lekstroomkanalen is:
a. labda=wortel
(RM/Ra
)
b. labda=RC
c. labda=Ilek
* Vdf
8. Hodgkin & Huxley beschreven
als eersten de kinetiek van de:
a. voltage afhankelijke lekstroom
b. TTX-gevoelige nicotine receptor-stroom
c. voltage afhankelijke
natrium- en kaliumstroom
9. Co-expressie van de beta
subunit en de porievormende alfa
subunit van voltage
geactiveerde natriumkanalen geeft:
a. snellere inactivatie
b. snellere desensitisatie
c. tragere activatie
10. De ionselectiviteit van
de meeste ionkanalen wordt bepaald door:
a. geladen aminozuren in voltage
sensoren
b. geladen aminozuren
in de porievormende gedeelten van het ionkanaal
c. geladen aminozuren in de
intracellulaire "chain and ball" structuur
11. De meeste ziekten die voortkomen
uit mutaties van het natrium kanaal worden veroorzaakt door:
a. een afwijkende agonistbinding
van dit kanaal
b. een afwijkende inactivatie
van dit kanaal
c. een afwijkende omkeerpotentiaal
van dit kanaal
12. Om een functioneel voltage
geactiveerde K+ kanaal
te vormen is nodig:
a. altijd maar 1 genproduct,
want het is een "homomeric" ionkanaal
b. altijd meer dan 1 genproduct,
want het is een "heteromeric" ionkanaal
c. 1 of meerdere genproducten,
want het kan een "heteromeric" ionkanaal zijn
13. Calcium afhankelijke kalium
kanalen zijn voor hun activatie direct afhankelijk van:
a. zowel membraandepolarisatie
als de intracellulaire calciumconcentratie
b. zowel de membraanpotentiaalveranderingen
als de extracellulaire calcium-concentratie
c. zowel van de intracellulaire
calcium- als de extracellulaire kaliumconcentratie
14.
Activatie van de calcium afhankelijke kalium stroom is te blokkeren
met:
a. extracellulair cadmium (Cd2+)
omdat dit een specifieke kanaalblokker is van deze stroom
b. extracellulair cadmium
(Cd2+)
omdat dit een kanaalblokker is van de meeste calciumkanalen
c. extracellulair cadmium (Cd2+)
omdat dit een depressie van extracellulaire calciumconcentratie te weeg
brengt
15. Calcium kanalen komen voor
op:
a. alleen axoneindigingen
b. alleen op axoneindigingen
en soma
c. axoneindigingen,
soma en dendriet
16. Van de verschillende typen
calcium kanalen komen met name L-type kanalen voor op:
a. alleen neuronen
b. zowel neuronen als dwarsgestreepte
spieren
c. zowel neuronen,
dwarsgestreepte spieren als hartspieren
17. Excitatie contractiekoppeling
in de dwarsgestreepte spier verloopt via het L-type calcium kanaal middels:
a. mechanische overbrenging
van membraan depolarisatie op de actine en myosine moleculen
b. mechanische overbrenging
van membraan depolarisatie op de ryanodine receptor op het sarcoplasmatisch
reticulum
c. calcium-influx van het L-type
kanaal dat resulteert in IP3-receptor
activatie
18. Er zijn grote overeenkomsten
tussen natrium- en calciumkanalen wat betreft hun:
a. Ca2+-afhankelijke
inactivatie
b. voltage afhankelijke inactivatie
c. gedeelte van de
kanaalstructuur verantwoordelijk voor voltage activatie
19. Desensitisatie van ligand
geactiveerde ionkanalen is vergelijkbaar met inactivatie van voltage
geactiveerde ionkanalen omdat:
a. vanuit deze toestand bij
voortduring van de stimulus (= ligand) het kanaal altijd alleen maar
naar de open toestand kan gaan
b. omdat het optreedt
bij voortduring van de stimulus (= ligand) en voorkomt dat het kanaal
opnieuw open gaat
c. omdat het alleen bij bepaalde
ionkanalen optreedt
20. De nicotine receptor op
de dwarsgestreepte spier is een multi-subunitkanaal, dat:
a. wordt gevormd door
aggregatie (samenkomst) van 4 genproducten
b. alleen extrasynaptisch voorkomt
c. door endogeen nicotine wordt
geactiveerd
Instructie voor
vragen 21-40: Geef
op je antwoordenblad aan welke antwoorden waar/goed zijn. Per vraag
kunnen meer antwoorden correct zijn en alleen als je ze allemaal herkent
krijg je een maximale score voor dit gedeelte. Hint: Ik telde in totaal
33 correcte antwoorden op de vragen 21-40. Dit betekent dat er 27 foute
antwoorden tussen staan.
21. Slow channel syndrome mutaties
in de nicotine-receptor op de spier van bepaalde patiënten met
de gelijknamige ziekte verlengen de gemiddelde open tijd van de postsynaptische
nicotinereceptoren als de presynaptische cel actief is. Dit leidt tot
een verhoogde kans op:
a. meerdere actiepotentialen
in de spier per actiepotentiaal in het motorneuron
b. desensitisatie
c. spiermoeheid
22. Desensitisatie van synaptische
receptoren in het zenuwstelsel treedt op:
a. als de synthetische
agonist van de postsynaptische receptoren traag en langdurige wordt
toegediend
b. als de synapse herhaaldelijk
en hoogfrequent wordt gestimuleerd
c. onafhankelijk van de structuurfunctie-eigenschappen
van de postsynaptische receptoren.
23. Het verschil in AMPA- en
MMDA-receptoren wordt:
a. van groot belang
geacht voor de inductie van LTP
b. veroorzaakt door
een verschil in agonist gevoeligheid
c. veroorzaakt doordat AMPA
receptoren wel Mg2+-gevoelig
zijn en MMDA-receptoren niet
24. Naast variatie in subunitcompositie
van glutamaatgeactiveerde ionkanalen zijn recent een aantal andere mechanismen
ontdekt die leiden tot een functionele diversiteit van met name de AMPA-receptoren.
Bedoeld worden:
a. mRNA editing
b. alternative splicing
c. porieperforatie
25. Welk transmembraandomein
is in de meeste modellen van nicotine en GABAA-receptoren
porievormend:
a. transmembraandomein
II
b. transmembraandomein V
c. cytomatische loop tussen
transmembraan III en IV
26. De subunitcompositie van
ligandgeactiveerde ionkanalen wordt bepalend geacht voor:
a. neurotransmitterafgifte
b. agonistgevoeligheid
c. ionselectiviteit
27. GABAA
receptoren zijn gevoelig
voor:
a. alcohol
b. serotonine
c. slaapmiddelen
28.
De elektrone eigenschappen van de membraan van een dendriet worden bepaald
door:
a. de diameter
b. de dichtheid van
de lekstroomkanalen
c. het al dan niet voorkomen
van myeline scheden
29. Een synaptische potentiaal
die halverwege in een dendriet wordt opgewerkt en in het soma van een
neuron wordt gemeten is uitgedoofd en enigszins vervormd. Welke volgende
stelling is waar?
a. Hoe groter de labda
(= lengteconstante)
van de dendriet hoe groter de uitdoving.
b. Hoe groter de labda
van
de dendriet hoe kleiner de uitdoving.
c. Hoe dunner de dendriet
hoe groter de uitdoving.
30. Monoquantale afgifte van
de neuromusculaire junction (MMJ) treedt spontaan op. Welke van de volgende
stelling(en) is(zijn) waar?
a. De amplitude (grootte)
van de postsynaptische respons wordt bepaald door de inhoud van één
vesicle.
b. Er is een overmaat
aan postsynaptische receptoren.
c. We noemen die een 'evoked'
respons.
31. het 'quantal content' van
een postsynaptische response op stimulatie van één presynaptische
cel wordt bepaald door:
a. aantal synapsen
dat actief wordt bij één AP in de presynaptische cel
b. aantal niet-actieve synapsen
c. aantal receptoren per synaps
32. Modulatie van de synaptische
functie verloopt via verschillende membraanmechanismen. Momenteel nemen
we aan dat nicotine receptoren in het centraal zenuwstelsel o.a. op
presynaptische glutamaat bevattende boutons voorkomen. Als je een sigaret
rookt kan dit leiden tot:
a. verhoogde kans op
vesicle afgifte door de betreffende synapsen
b. verslaving omdat
het kan leiden tot LTP-achtige verschijnselen
c. blokkade van presynaptische
calciumkanalen
33. Het postsynaptische effect
van de afgifte van een bepaalde neurotransmitter wordt bepaald door:
a. hoeveel afgifte er plaatsvindt
per AP
b. de omkeerpotentiaal
van de postsynaptische ionkanalen
c. de inactivatie van de postsynaptische
receptoren
34. Sommige patiënten
met multiple sclerose lijden aan demyelinisatie verschijnselen. Toediening
van lage concentraties van bepaalde kalium-kanaalblokkers kunnen in
zo'n geval een therapeutisch effect hebben. Dit komt omdat:
a. de drempel van de
actiepotentiaal hierdoor indirect verlaagt
b. de actiepotentiaal
breder wordt
c. de piek van de actiepotentiaal
hoger wordt
35.
Een sprongsgewijze voortplanting van de actiepotentiaal is veel sneller
dan de passieve verspreiding van een synaptische potentiaal. De relatieve
voortplantingssnelheid van passief verspreidende EPSP is ongeveer 30
cm/s, terwijl die van de actiepotentiaal wel 60 m/s kan zijn. Hoe komt
dit?
a. Er vindt niet alleen
uitdoving plaats in de dendriet, maar er treedt ook vervorming (= vertraging)
op.
b. In axonen is er
een actieve, sprongsgewijze voortplanting van het elektrische signaal.
c. Omdat synaptische potentialen
chemisch worden opgewekt.
36. Vlak na het optreden van
een actiepotentiaal in een neuron is de drempel voor de activatie van
een nieuwe actiepotentiaal vaak tijdelijk verhoogd. We noemen dit de
refractaire periode van de cel. Wat is het fysiologische belang van
dit membraanmechanisme?
a. Dat er een maximum
is aan de frequentie waarmee actiepotentialen kunnen worden opgewekt.
b. Dat de interval tussen opeenvolgende
actiepotentialen altijd exact gelijk is.
c. Dat er tijdelijk geen extra
synaptische 'inhibitie' nodig is.
37. Een IPSP direct gevolgd
door een onderdrempelige EPSP kan soms tot een grotere depolarisatie
(of zelfs een actiepotentiaal) leiden dan dezelfde EPSP alleen. Dit
komt omdat:
a. tijdens de IPSP
de K-kanalen deactiveren, zodat er vlak na de IPSP tijdelijk even wat
minder kaliumstroom zal zijn
b. tijdens de IPSP
een restant geïnactiveerde Na-kanalen kan de-inactiveren waardoor
feitelijk tijdens de EPSP tijdelijk even meer natrium kanalen beschikbaar
zijn, zodat de drempel voor de actiepotentiaal tijdelijk even lager
is
c. tijdens de IPSP er meer
ophoping van extracellulair kalium is, wat een negatief effect heeft
op natrium kanaal inactivatie
38. Bepaalde vormen van migraine
en ataxia zijn te herleiden tot mutaties in:
a. P/Q-type nicotinekanalen
b. P/Q-type calciumkanalen
c. serotonine re-uptake pompen
39. Angleman syndroom (mental
retardation) kan het gevolg zijn van een deletie van met name de:
a. alfa
12 subunit
van de nicotinereceptor
b. beta
3 subunit
van de GABAA
receptor
c. NR1
subunit van de NMDA
receptor
40. Ionkanalen die niet bij
de actiepotentiaal of bij synaptische activiteit betrokken zijn:
a. hebben geen fysiologisch
belang
b. zijn niet onderhevig aan
genmutaties
c. kunnen gemuteerd
raken op een wijze die ziektes veroorzaakt
Tentamen Neurofysiologie 2002 (alleen de onderstaande vragen waren
anders dan die van de vorige keer). De antwoorden zijn nog niet bekend.
Mutaties in het DNA coderend voor een membraan-eiwit kan leiden tot
een pathofysiologische celfunctie, nl.
A doordat het eiwit niet goed functioneert
B doordat het eiwit niet in de membraan terecht komt
C doordat het eiwit metabolisch niet stabiel is
De ziekten Hyperkalemic Periodic Paralysis en Myotonia kunnen optreden
wanneer er mutaties die leiden tot:
A een afwijkende agonistbinding van natrium kanalen
B een incomplete inactivatie van het natrium kanaal op dwarsgestreepte
spieren
C een afwijkende omkeerpotentiaal van het natrium kanaal in de hartspier
Long QT syndroom is een afwijking waarbij
A hetzij het natrium kanaal in de hartspier is aangedaan
B hetzij het kalium kanaal in de hartspier is aangedaan
C de natrium/kaliumpomp in de hartspier te langzaam functioneert
Patiënten met Myasthenia leiden aan spierafwijkingen waarbij de
neuromusculaire neurotransmissie is aangedaan. In vermand met therapie
is het essentieel om te ontdekken of een patient aan zogenaamd slow
channnel syndrome van de nAChR (Myasthenia congenitalis) of dat er sprake
is van een autoimmuun afwijking (Myasthenia gravis). Waarom?
A omdat alleen de patiënten met M. gravis gebaat zijn bij toediening
van Ach Esterase inhibitors
B omdat de patiënten met M. congentialis niet reageren of immunotherapie
C Omdat er voor patiënten met M. congentialis geen therapie voorhanden
is en voor M, gravis wel
Auto-immuun ziekten waarbij het centraal zenuwstelsel is aangedaan
zijn zeldzaam:
A omdat deze ziekte niet erfelijk zijn
B omdat er een bloed hersenbarrière is
C omdat de wijze waarop epitoop-herkenning plaatsvindt door antilichamen
in het CNS wezenlijk anders is dan in de rest van het lichaam
Er is sprake van een polygenetische afwijking
A wanneer mutaties in twee of meerdere genen bijdragen aan het ontstaan
van een ziekte beeld
B als de afwijking deels niet erfelijk is
C geen van beide
Onderzoek naar de genetische basis van menselijke ziekten
A leidt tot een betere diagnostiek van het ziektebeeld
B is met name zinvol om genetische verspreiding van de ziekte te voorkomen
C kan richtinggevend zijn bij het ontwikkelen van een therapie die symptomen
bestrijdend is
|