Moleculaire genetica van eucaryoten

TENTAMEN LODISH

donderdag 26 maart 1998

13.30 - 15.30 P519


N.B. Schrijf duidelijk en vul je naam in op ieder vel!!

Naam student:..........................................................

Vraag l.

a) Leg uit hoe de mens in staat is immunoglobulines (= antilichamen) te produceren tegen meer dan 10^11 antigenen.

b) Wat is allelische exclusie en wat is het nut ervan?

c) Welke twee vormen van immunoglobuline switching worden onderscheiden ?
Beschrijf de fundamentele verschillen in de moleculaire mechanismen.

d) De kwartel heeft maar één functionele VJC regio. Stroomopwaarts daarvan liggen echter een groot aantal V pseudogenen die niet functioneel zijn.

Hoe ontstaan pseudogenen, waarom zijn ze in de meeste gevallen niet functioneel en bedenk een mechanisme om toch variatie in lichte ketens te genereren.

e) Zou je verwachten dat een muis met een inactief gen voor terminaal transferase gevoeliger is voor bacteriële infecties?

Vraag 2.

Goed of fout. Verklaar het antwoord.
N.B. Zonder verklaring wordt het antwoord fout gerekend.

a) Een niet-functioneel antiterminator eiwit N van faag leidt tot een lysogene toestand.

b) Het E. coli genoom heeft géén telomeersequenties.

c) Bij eukaryoten wordt de aminozuurbiosynthese gereguleerd door een attenuator.

d) Wanneer verschillende organismen met elkaar vergeleken worden blijkt er een constante verhouding te bestaan tussen het aantal chromosomen en het aantal genen dat in de kern wordt aangetroffen.

Vraag 3.

Onderstaand figuur geeft de verdeling aan van de eiwitten Hunchback en Krüpple in een vroeg Drosophila embryo. Hunchback is een regulator van Krüpple.

Protein

visualized

Hunchback

Kr¸pple

a) Hoe verklaar je de discrete localisatie van het Krüpple eiwit.

Welke mutaties in Hunchback zullen de distributie van het Krüpple eiwit beinvloeden. Licht dit toe aan de hand van tekeningen.

b) Een bepaald type transposon beweegt alleen in geslachts-cellen van Drosophila en niet in somatische cellen. Bedenk mogelijke oorzaken voor dit verschijnsel.

Vraag 4.

Je bestudeert de splicing van transcripten afkomstig van een gen met 5 exons.

a) Welke experimenten zou je uitvoeren om er achter te komen of de 5 exons er één voor één uitgespliced worden of allemaal tegelijk.

b) Beschrijf de mogelijke effecten van transposon-footprints binnen een gen op de splicingsreactie.

c) Van een bepaald menselijk eiwit worden twee varianten gevonden. De ene zit in de lever, de andere in de hersenen. Geef meerdere mogelijke verklaringen voor dit verschijnsel.

Vraag 5.

a) Beschrijf de mechanistische problemen die optreden bij de replicatie van een circulair DNA molecuul.

b) DNA polymerase van E. coli werkt niet foutloos. Geef aan hoe fouten tijdens de DNA replicatie worden hersteld.

c) Weeg voor- en nadelen van kopieerfouten tegen elkaar af.

d) Er zijn géén aanwijzingen voor het bestaan van een mechanisme voor het verwijderen van verkeerd gekopieerde basen in RNA. Bedenk mogelijke verklaringen.

e) Er worden in enkele organismen wel degelijk baseveranderingen waargenomen nadat transcriptie voltooid is. Geef een voorbeeld.


Terug naar de inhoudsopgave tentamens

Terug naar de homepage