Toets 1 Humane Fysiologie 2001, 21-05-01

Naam student: Studentnummer:

Groepsnummer cursus HF 2001:



1. Welke van de volgende beweringen is juist?

1. Het extracellulaire vloeistof compartiment is groter dan het intracellulaire.

2. Het intracellulaire vloeistof compartiment bevat meer eiwit dan het extracellulaire.

3. Het intracellulaire vloeistof compartiment heeft een hogere osmolaliteit dan het extracellulaire.

4. Het extracellulaire vloeistof compartiment bevat meer Kalium dan het intracellulaire.



2. Bij de regulatie van de homeostase in het milieu interieur zijn een aantal systemen betrokken.

Daarbij geldt dat

1. het animale zenuwstelsel zorg draagt voor de communicatie met het milieu exterieur.

2. het autonome zenuwstelsel de snelle regulatie van processen in het milieu interieur verzorgt.

3. het endocriene systeem met de hormonen vooral betrokken is bij de lange termijn regulatie van

de interne organen.

4. zowel a, b, als c is juist.



3. Bijgaande figuur geeft de bloeddruk als functie van de plaats in de circulatie onder twee

omstandigheden (A en B).

De verandering (van A naar B) is met aan zekerheid

grenzende waarschijnlijkheid ontstaan door:

1. toename van het bloedvolume.

2. afname van de vaatweerstand.

3. toename van het hartminuut volume.

4. afname van de hematocriet.



4. Welke van onderstaande beweringen is onjuist?

1. De lever krijgt zowel arterieel als veneus bloed aangevoerd.

2. De longen krijgen veneus bloed aangevoerd via een arterie.

3. De circulatie in de nier bevat twee in serie geschakelde capillair bedden.

4. De gemiddelde bloeddruk in de kleine circulatie en in de grote circulatie zijn even hoog.



5. Bijgaande figuur toont twee actiepotentialen uit een hartspiercel in de linker kamer onder twee

verschillende omstandigheden.

De beste verklaring voor het verschil tussen beide is

het feit dat:

1. de cel in het rechter plaatje behandeld is met een

stof die de snelle Na-kanalen blokkeert.

2. de cel in het rechter plaatje behandeld is met een

stof die de K-kanalen blokkeert.

3. de cel in het rechter plaatje behandeld is met een stof die de Na/K-pomp remt.

4. de cel in het rechter plaatje behandeld is met een stof die de Ca-kanalen blokkeert.



a b

A B



6. Welk van onderstaande beweringen is onjuist?

1. De hartfrequentie verlagende werking van acetylcholine berust op openen van een K-kanaal.

2. De SA-knoop heeft een hogere eigen frequentie dan de AV-knoop.

3. Als de rustpotentiaal meer negatief wordt neemt de vuurfrequentie van pacemakercellen af.

4. Bij het ontstaan van een pacemaker potentiaal speelt K een grotere rol dan Ca.



7. Bijgaande figuur laat twee drukpolsen (a en b) zien die gemeten zijn in de aorta vlak boven de

kleppen.

Het verschil tussen beide wordt met aan zekerheid

grenzende waarschijnlijkheid veroorzaakt door het feit

dat:

1. het slagvolume bij b groter was dan dat bij a.

2. de aorta bij a stijver was dan bij b.

3. de perifere weerstand bij a groter was dan bij b

4. het bloedvolume bij a groter was dan bij b.



8. Het slagvolume van de rechter en de linker kamer

1. wordt in een voor beide kamers even lange ejectie tijd uitgepompt.

2. is onder alle omstandigheden even groot.

3. wordt met de zelfde snelheid uitgepompt.

4. nemen o.i.v. sympatische stimulatie bij beide kamers toe.



9. Welke van onderstaande beweringen is juist?

1. Hoe hoger de hartfrequentie des te groter het hartminuut volume.

2. Hoe groter het slagvolume des te lager de hartfrequentie.

3. Hoe korter de ejectie tijd des te kleiner het slagvolume.

4. Hoe hoger de hartfrequentie des te minder de vulling van de hartkamers.



10. Tot de factoren die toename van het hartminuutvolume veroorzaken behoren

1. toename van de sympatische activiteit.

2. verlaging van de bloeddruk.

3. vergroting van de hartvulling.

4. zowel a, b als c is juist.



11. Bijgaande figuur toont twee drukcurven van de linker kamer gemeten onder verschillende

omstandigheden (A en B) in hetzelfde

hart.

De verschillen worden zeer

waarschijnlijk verklaart door het feit

dat

1. het hart in B met een adrenerge stof

was behandeld.

2. het hart in B een hogere frequentie

had dan in A.

3. drukcurve B in rust en drukcurve A tijdens arbeid is gemeten.

4. drukcurve A bij een groter ventrikelvolume is gemeten dan drukcurve B.



12. In het hart komen semilunaire (aorta en arteria pulmonalis) en atrioventriculaire kleppen voor.

Welke van de volgende uitspraken is onjuist?

1. De bladen van de atrioventriculaire kleppen hebben een groter oppervlak dan die van

semilunaire kleppen.

2. De semilunaire kleppen worden wel, de atrioventriculaire kleppen worden niet ondersteund

door papillair spiertjes.

3. Door de atrioventriculaire kleppen gaat een even grote bloedstroom als door de semilunaire

kleppen.

4. De atrioventriculaire kleppen zijn, bij benadering, aan even grote drukken blootgesteld als de

semilunaire kleppen.



13. Tot de veranderingen die optreden wanneer de aortakleppen lekken behoort het feit dat

1. er een geruis ontstaat dat de hele ejectie periode aanhoudt.

2. de systemische bloeddruk tijdens de diastole sneller daalt dan wanneer de kleppen goed sluiten.

3. het slagvolume van de linker kamer kleiner is dan dat van een linker kamer met goed sluitende

kleppen.

4. de wand van de linker kamer dikker wordt omdat er tijdens de systole een hogere druk

gegenereerd moet worden .



14. Welke van onderstaande stellingen is juist?

1. Tijdens de gehele ejectie-periode van bloed uit de rechter kamer is de kamerdruk hoger dan de

art pulmonalis druk omdat anders geen bloed kan worden uitgepompt.

2. De bloedstroomsnelheid in de arteria pulmonalis is hoger dan die in de aorta omdat de perifere

weerstand in het longvaatbed lager is dan die in de grote circulatie.

3. Het O -verbruik van beide hartkamers is gelijk omdat hun hartminuutvolumes gelijk zijn. 2

4. Bij oudere mensen neemt de systolische bloeddruk als functie van de leeftijd meer toe dan de

diastolische bloeddruk omdat de vaten stijver worden.



15. Bij vergelijking van de grote of systemische en de kleine of longcirculatie valt op dat

1. de perifere weerstand in de kleine circulatie groter is dan die in de grote circulatie.

2. het arteriële bloed in de kleine circulatie een hoger O -gehalte heeft dan dat in de grote 2

circulatie.

3. de gemiddelde bloeddruk in de grote circulatie lager is dan die in de kleine circulatie.

4. de bloedstroom in liters/min in de kleine circulatie even groot is als die in de grote circulatie.



16. Tot de mechanismen die een rol spelen bij autoregulatie behoren

1. de metabole activiteit van een orgaan.

2. de bloeddruk in het orgaan.

3. de mate van stikstofoxyde die geproduceerd wordt door het endotheel.

4. zowel a, b als c is juist.



17. Bij iemand die plotseling opstaat

1. neemt de hartfrequentie af.

2. neemt het veneuze bloedvolume toe.

3. neemt het hartminuutvolume toe.

4. daalt de capillaire bloeddruk in de benen.



18. Bij de regulatie van de bloeddruk

1. spelen drukreceptoren in het hart een grotere rol dan drukreceptoren in de halsslagader.

2. speelt de sympaticus een grotere rol dan de parasympaticus.

3. spelen veranderingen van het slagvolume een grotere rol dan veranderingen van de

hartfrequentie.

4. speelt beïnvloeding van het arteriële vaatbed een grotere rol dan beïnvloeding van het veneuze

bed.



19. Welke van onderstaande stellingen is onjuist?

1. Wanneer de O -behoefte van een orgaan toeneemt, daalt in het algemeen het O -gehalte van het 2 2

bloed in de veneuze uitstroom van het orgaan.

2. Bij de diastolische vulling van de hartkamers speelt de atriumcontractie een minder grote rol

dan de snelle vulling.

3. Hoe hoger de druk in de linker kamer des te groter is de myocardiale O -behoefte. 2

4. Tijdens de isovolumetrische contractie is de druk in de rechter kamer lager dan die in het

rechter atrium.



20. Een belangrijk deel van de veneuze terugstroom naar het hart komt tot stand door de activiteit van

"de spierpomp". Hieronder wordt verstaan

1. een contractie golf van het gladde spierweefsel in de grote venen in de richting van het rechter

atrium.

2. een contractie golf van het gladde spierweefsel in de systemische arteriolen in de richting van

het veneuze systeem.

3. de contracties van de skeletspieren in bijv armen en benen die het bloed in de venen in de

richting van het rechter atrium stuwen.

4. de contracties van het middenrif tijdens de inademing die bloed uit de buik naar de borstkas

bewegen.



21. Voor de verdeling van het totale bloedvolume in de circulatie geldt dat:

1. het arteriële deel meer bloed bevat dan het veneuze

2. het capillaire deel meer bloed bevat dan het veneuze

3. de hoeveelheid bloed in het veneuze deel meer variabel is dan de hoeveelheid bloed in het

arteriële

4. het verschil van het arteriële en het veneuze bloedvolume gelijk is aan dat in het capillaire.



22. De systolische bloeddruk wordt bepaald door:

1. de hartkracht

2. de grootte van het slagvolume

3. de hoogte van de perifere weerstand

4. zowel a, b als c is juist



23. De bloedstroom wordt bepaald door het quotiënt van druk en weerstand (wet van Ohm). In de

systemische circulatie bevindt de grootste weerstand zich:

1. in de aorta

2. in de grote arteriën

3. in de arteriolen

4. in de capillairen



24. De op hogere leeftijd optredende verhoogde bloeddruk kan veroorzaakt worden door:

1. toename van de perifere weerstand

2. afgenomen elasticiteit van het vaatbed

3. een toename van de hematocriet

4. zowel a, b als c is juist



25. Onder systolische bloeddruk verstaat men:

1. de gemiddelde druk tijdens de systole

2. de druk aan het begin van de systole

3. de hoogste druk tijdens de systole

4. de gemiddelde bloeddruk tijdens de ejectiefase



26. Acuut bloedverlies van 1 liter leidt tot:

1. daling van de druk in het rechter atrium

2. toename van de perifere weerstand

3. toename van de hartfrequentie

4. zowel a, b als c is juist



27. Bij het meten van de bloeddruk met de methode van Riva Rocci:

1. zijn de tonen van Korotkow in het algemeen hoorbaar in het interval tussen systolische en

diastolische bloeddruk

2. verdwijnen de tonen van Korotkow op het moment dat de manchetdruk gelijk is aan de

systolische druk

3. worden de tonen hoorbaar als de druk in de manchet gelijk is aan de diastolische bloeddruk

4. zijn de tonen van Korotkow onhoorbaar in het interval tussen systolische en diastolische druk



28. Bij aorta stenose (het niet goed openen van de aortakleppen) is:

1. de systolische bloeddruk in de linker kamer verhoogd en de diastolische druk verlaagd

2. het slagvolume in het algemeen verkleind

3. het ventrikelvolume vergroot

4. zowel a, b als c is juist



29. Bij iemand wordt de totale perifere weerstand verlaagd, terwijl het hartminuutvolume gelijk blijft.

Hierdoor:

1. verandert de diastolische bloeddruk niet

2. daalt de gemiddelde bloeddruk

3. neemt de polsdruk toe

4. verandert de systolische bloeddruk niet



30. Wanneer de bloeddruk bij een zittende proefpersoon wordt gemeten terwijl de arm waaraan de

meting plaats heeft boven het hoofd wordt gehouden:

1. wordt de systolische maar niet de diastolische bloeddruk overschat

2. wordt zowel de systolische als de diastolische bloeddruk overschat

3. wordt de systolische maar niet de diastolische bloeddruk onderschat

4. wordt zowel de systolische als de diastolische bloeddruk onderschat



31. De prikkel voor de normale hartcontractie wordt gegenereerd in

1. de sino-atriale knoop

2. de atrioventriculaire knoop

3. de bundel van His

4. de linker bundeltak voor de linker en de rechter bundeltak voor de rechter kamer



32. De duur van het QRS-complex is

1. een maat voor de atrioventriculaire geleiding

2. een maat voor de geleiding door de bundeltakken

3. een maat voor de snelheid van de ventrikel depolarisatie

4. een maat voor de geleiding in de AV-knoop



33. De 2e harttoon

1. valt samen met de P-top van het ECG

2. valt tijdens het QRS complex van het ECG

3. valt tijdens het ST segment van het ECG

4. valt aan het eind van de T top van het ECG



34. Het interval tussen 1ste en 2de harttoon is een maat voor de

1. ejectie tijd van de hartkamers (=ventrikels)

2. de duur van de isovolumetrische contractie

3. de duur van de isovolumetrische relaxatie

4. de vullingstijd van de kamers



35. De eerste harttoon ontstaat tijdens

1. het sluiten van de atrioventriculaire kleppen

2. het sluiten van de aorta- en pulmonaalkleppen

3. het openen van de atrioventriculaire kleppen

4. het openen van aorta- en pulmonaal kleppen



36. Veranderingen in de T-golf van het ECG treden vooral op bij

1. storingen in de ventrikel depolarisatie

2. storingen in de ventrikel repolarisatie

3. storingen in de atrium depolarisatie

4. storingen in de atrium repolarisatie



37. De grootte van de ECG-uitslagen, geregistreerd met de borstwandafleidingen, is afhankelijk van

1. de grootte van het hart

2. de hoeveelheid lucht in de longen

3. de gekozen ECG-afleiding

4. zowel 1., 2., als 3. is juist



38. Welke van de onderstaande beweringen is onjuist:

1. De PQ tijd is een maat voor de geleiding van de SA-knoop naar het begin van de bundel van

His

2. Uit de afstand tussen 2 opeenvolgende R-toppen kan de hartfrequentie berekend worden.

3. Het QRS-complex wordt breder als er een storing is in de geleiding van een van beide of van

beide bundeltakken

4. De T-top wordt veroorzaakt door de summatie van atriale en ventriculaire repolarisatie.



39. Een geruis (=souffle) dat tussen de 1 en de 2 harttoon valt (=systolisch) kan worden veroorzaakt e e

door:

1. een lekkende pulmonale klep

2. een vernauwing van de aortaklep

3. een vernauwing van de mitralisklep

4. een vernauwing van de tricuspidale klep



40. Bij een 55-jarige man ontstaat een totale blokkade van de prikkelgeleiding tussen boezems en

kamers. Welke van de volgende uitspraken is onjuist:

1. Een lager in het geleidingssysteem gelegen groep cellen treedt als nieuwe pacemaker op.

2. De aard van de aandoening is met vrijwel alle afleidingen van het ECG te bevestigen.

3. De stoornis behoeft niet noodzakelijkerwijs in de AV-knoop gelegen te zijn.

4. Nadat de nieuwe pacemaker actief is geworden keert de te voren bestaande, oorspronkelijke,

hartfrequentie weer terug.



Toets 1A Humane Fysiologie 2001, 21-05-01

Antwoorden toets A:

vraag nr. antwoord nr: vraag nr: antwoord nr:





1 2 21 3
2 4 22 4
3 2 23 3
4 4 24 4
5 4 25 3
6 4 26 4
7 1 27 1
8 4 28 4
9 4 29 2
10 4 30 4
11 1 31 1
12 2 32 3
13 2 33 4
14 4 34 1
15 4 35 1
16 4 36 2
17 2 37 4
18 2 38 4
19 4 39 2
20 3 40 4