HOME: VERDEC

Tentamen Histologie

(Er kunnen foutjes in zitten. Informeer me als je iets vindt. Je kan me mailen via een e-mail adres dat je op de hoofdpagina kan vinden)



1. Welke uitspraak is niet juist? Hartspiercellen:

a. Vertonen eenzelfde type dwarsstreping als een skeletspier

b. Bevatten in het algemeen een kern

c. Kunnen regenereren na beschadiging

d. Reguleren contractie door afgifte van Ca2+ vanuit het sarcoplasmatisch reticulum





2. Verstijving van spieren na de dood wordt primair veroorzaakt doordat:

a. De Ca-voorziening van de myofibrillen vanuit het sarcoplasmatisch reticulum stopt

b. De ATP-productie stopt, waardoor de myosinefilamenten niet meer loslaten van de actinefilamenten

c. Het troponine molekuul niet meer normaal kan functioneren

d. De Z-membranen worden beschadigd door zuurstofgebrek



3. In het ruggenmerg wordt de myelineschede van axonen gemaakt door:

a. Astrocyten

b. De cellen van Shwann

c. De oligodendrocyten

d. De ependym cellen



4. Bij contractie van een skeletspier veranderen in de myofibrillen:

a. De A-banden van lengte, de I-banden niet

b. Alleen de I-banden van lengte

c. Alleen de H-banden van lengte

d. De I-banden en de sarcromeren van lengte



5. Gap junctions worden niet aan getroffen tussen:

a. Gladde spiercellen

b. Epitheelcellen

c. Kraakbeencellen

d. Neuronen



6. In multipolaire neuronen treffen we veel ruw endoplasmatisch reticulum aan in:

a. Het perikaryon, het axon en de dendrieten

b. Het perikaryon en het axon

c. Het perikaryon en de dendrieten

d. Uitsluitend het perikaryon



7. Elastische vezels worden vooral aangetroffen:

a. In kapsels van organen

b. In perichondrium en periosteum

c. In het gewrichskraakbeen

d. In de wand van de grote arteriën



8. Zowel astrocyten, ependymcellen en microgliacellen behoren tot het:

a. Zenuwstelsel

b. Epitheelweefsel

c. Bindweefsel

d. Afweersysteem





9. Welke van onderstaande weefsels is het belangrijkste steunweefsel in oren en neus

a. Losmazig bindweefsel

b. Dichtvezelig bindweefsel

c. Been

d. Kraakbeen



10. In de epidermis van de mens

a. Wordt het stratum spinosum begrensd door het stratum granulosum en het stratum corneum

b. Vinden celdelingen voornamelijk plaats in het stratum basale

c. Vindt de vorming van keratine-vezels alleen plaats in het stratum basale

d. Wordt het stratum granulosum begrensd door het stratum basale en het stratum corneum



11. Een weefsel dat bestaat uit een groot aantal vezels, compact gerangschikt in parallelle bundels met een kleine hoeveelheid grondsubstantie is waarschijnlijk

a. Skeletspierweefsel

b. Been

c. Zenuwweefsel

d. Compact bindweefsel



12. De intercalairschijf van hartspiercellen bevindt zich op dezelfde plaats als de volgende structuur van het dwarsgestreepte spierweefsel

a. Sarcoplasmatisch reticulum

b. I-band

c. Z-membraan

d. H-band



13. Zowel been, kraakbeen en bloed zijn voorbeelden van:

a. Spierweefsel

b. Bindweefsel

c. Zenuwweefsel

d. Epitheelweefsel



14. Een nexus-verbinding of gapjunction heeft onder andere als functie:

a. Het transport van laag-moleculaire stoffen tussen cellen mogelijkmaken

b. De cellen stevig aan elkaar hechten

c. Synaptische transmissie mogelijk maken

d. Het oppervlakte van de cel vergroten



15. Welke cel hoort niet in het onderstaande rijtje thuis

a. Mastcel

b. Fibroblast

c. Vetcel

d. Neuron





16. Vanuit het pre-synaptische elemen van een chemische synaps vindt afgifte van neurotransmitter plaats

a. Via apocrine secretie

b. Via gap-junctions die het pre- en post-synaptische element koppelen

c. Via exocytose

d. Via de Ca-kanalen





17. Reticulaire vezels:

a. Komen onder andere voor in basale membranen en om gladde spiervezels

b. Bestaan uit reticuline

c. Vormen het contractiel element van collagene vezels

d. Zorgen voor de aanhechting van dwarsgestreepte spieren aan botten



18. Chondronen ontstaan bij het proces van:

a. Appositie

b. Intramembraneuze verbening

c. Botafbraak

d. Interstitiele kraakbeen groei



19. De schede van Schwann heeft als functie:

a. De snelheid van prikkelgeleiding van het axon te verhogen

b. Het neuron tegen beschadiging te beschermen

c. Het neuron van voedingsstoffen te voorzien

d. De insnoering van Ranvier te vormen



20. Een astrocyt is onder andere betrokken bij:

a. De vorming van de myelineschede van dendrieten

b. De vorming van de bloed-hersen barriere in het centraal zenuwstelsel

c. De immunologische afweer in het centraal zenuwstelsel

d. Het doorgeven van zintuigprikkels aan interneuronen



21. Endosomen:

a. Bevatten H+ ionenpompen in hun membranen om hun interne pH te reguleren

b. Bevatten een grote hoeveelheid hydrolytische enzymen

c. Zijn essentieel voor het transport van eiwitten van het RER naar het Golgi apparaat

d. Hebben als belangrijkste functie sferoïden aan het medium af te geven



22. Een slijmbekercel geeft zijn secreet af aan het lumen van de darm door middel van:

a. Apocrine secretie

b. Merocrine secretie

c. Holocrine secretie

d. Endocytose



23. Kraakbeen bestaat uit:

a. Osteobasten en osteocyten

b. Chondroblasten en chondrocyten

c. Chondroblasten, chondrocyten, glycosaminoglycanen (GAG's) en collageen Iivezels

d. Alleen uit GAG's en type II collageen



24. Integrines zijn:

a. Adhesieve glycoproteinen

b. Transmembraaneiwitten

c. Type I collageen moleculen

d. Receptoren voor hormonen



25. Een bepaalde gifstof vernietigt het tubuline in cellen. Welke van de ondergenoemde functies zal het meest direct zijn aangetast door de gifstof

a. Axonaal transport

b. Contractie

c. Steroïd-synthese

d. Endocytose



26. Het centrale zenuwstelsel

a. Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg

b. Bevat neuronen en Shwann cellen

c. Is afkomstig van het endoderm

d. Bestaat alleen uit de hersenen



27. De kernmembraan van cellen

a. Wordt gevormd door een membraan

b. Bevat vele kernporiën die transport tussen kern en cytoplasma en visa-versa mogelijk maken

c. In aan de binnenzijde bezet met vele ribosomen

d. In continu met de cytoplasma membraan



28. Welke uitspraak met betrekking tot lysosomen is niet juist

a. Het zijn membraan-gebonden organellen die een veelheid van hydrolytische enzymen bevatten

b. De hydrolytische enzymen worden in het RER gesynthetiseerd

c. Zij kunnen beschouwd worden als het verteringssysteem van de cel

d. Lysosomen vermenigvuldigen zich in de cel door splijting



29. Het RER bevat eiwitten

a. Welke uitsluitend bestemd zijn voor gebruik buiten de cel waar zij gemaakt worden

b. Die later alleen in het cytosol gebruikt zullen worden

c. Die niet verder post-translationeel gemodificeerd kunnen worden

d. Welke oorspronkelijk voorzien waren van een signaalsequentie



30. Zowel de bekleding van de longen, darmen en nieren behoren tot het

a. Spierweefsel

b. Bindweefsel



c. Zenuwweefsel

d. Epitheelweefsel



31. Het weefsel dat hier is weergegeven is:

a. Eenlagig cylindrisch epitheel

b. Meerlagig kubisch epitheel

c. Overgangsepitheel

d. Meerlagig plaveizel epitheel



32. De hier weergegeven cel is een

a. Erytrocyt

b. Eosinofiele granulocyt

c. Monocyt

d. Neutrofiele granulocyt



33. Het weefsel dat is weergegeven bij 2 is:

a. Eenlagig cylindrisch epitheel

b. Meerlagig kubisch epitheel

c. Overgangsepitheel

d. Meerlagig plaveisel epitheel



34. Hier is weergegeven

a. Directe beenvorming

b. Indirecte beenvorming

c. Aanhechting van een pees

d. Vorming van verwelfsel



35. De structuren die hier zijn weergegeven zijn:

a. Microtubuli

b. Microvilli

c. Cliliën

d. Dendrieten



36. Het hier weergegeven weefsel is:

a. Meerlagig verhoornd epitheel

b. Meerlagig niet verhoornd epitheel

c. Elastisch bindweefsel

d. Dicht collageen bindweefsel



37. Het kraakbeen dat hier is weergegeven is:

a. Kraakbeen

b. Bot

c. Collageen bindweefsel

d. Vetweefsel



38. De structuur die bij de pijlen is aangegeven is:

a. De synaptische spleet

b. De schede van Schwann

c. Het axon

d. De dendriet



39. Het proces dat hier is weergegeven is:

a. Vetopslag

b. Endocytose

c. Apocrine secretie

d. Holocrine secretie



40. De structuur die staat aangegeven tussen de pijlen is betrokken zij

a. De vorming van messenger RNA

b. Het transport van eiwitten naar de kern toe

c. De synthese van ribosomen

d. De vorming van ribosomale eiwitten.


41. Welke van onderstaande weefsels is het belangrijkste steunweefsel in oren en neus?

a. Losmazig bindweefsel

b. Dichtvezelig bindweefsel

c. Been

d. Kraakbeen


42. Welke cel hoort niet thuis in het onderstaande rijtje op grond van zijn embryonale afkomst?

a. Slijmbekercel

b. Fibroblast

c. Vetcel

d. Osteoblast


43. Epitheelcellen van de twaalfvingerige darm zijn stevig aan elkaar gehecht. Welke hechtstructuren zorgen ervoor dat het onderliggende bindweefsel hermetisch is afgesloten van de darminhoud?

a. De maculae adhaerentes (desmosomen)

b. De zonulae occludentes (tight junctions)

c. Nexus verbindingen (gap-junctions)

d. De zonulae adhaerentes (adhesion belt)


44. In de epidermis van de mens

a. Wordt het stratum basale begrensd door het stratum granulosum en het stratum corneum

b. Vinden celdelingen alleen plaats in het stratum basale (stratum germinativum)

c. Vindt de vorming van keratine alleen plaats in het stratum basale

d. Wordt het stratum lucidum gekenmerkt door duidelijke sytoplasmabruggetjes tussen de cellen


45. De myelineschede van een zenuw wordt gevormd door:

a. Cellen van Schwann

b. Astrocyten

c. Door het neuron zelf

d. Door fibroblasten


46. Gap-junctions worden niet aangetroffen tussen

a. Gladde spiercellen

b. Epitheelcellen

c. Chondrocyten

d. Osteocyten


47. Welke uitspraak is niet juist? Neutrofiele granulocyten

a. Spelen een rol bij het opruimen van bacteriŽn bij een bacteriŽle infectie

b. Nemen in aantal toe in het bloed bij een bacteriŽle infectie

c. Zijn afkomstig uit het beenmerg

d. Reguleren de immuunrespons


48. Nissl substantie bevindt zich in neuronen

a. In het cellichaam en axonen

b. Alleen in het cellichaam

c. In het cellichaam en dendrieten

d. In axonen en dendrieten


49. De myelineschede van axonen

a. Wordt gemaakt door Achwann cellen in het centrale zenuwstelsel en oligodendrieten in het perifere zenuwstelsel

b. Wordt gemaakt door Schwann cellen in het perifere zenuwstelsel en microgliacellen in het centrale zenuwstelsel

c. Wordt gemaakt door Schwann cellen in het perifere zenuwstelsel en door oligodendrieten in het centrale zenuwstelsel

d. Wordt in zowel het centrale zenuwstelsel als het perifere zenuwstelsel gemaakt door neuronen


50. Het voornaamste cytoskelet eiwit dat in ciliŽn voorkomst is:

a. Actine

b. Myosine

c. Tubuline

d. Flagelline