Proefvragen Gezonheid en Milieu blok III



Vraag 1.

De stof benzo(a)pyreen is chemisch gezien zeer inert en reageert niet snel met een macromolecuul. Toch kan blootstelling aan benzo(a)pyreen, zoals bij rokers, leiden tot longkanker door reacties met DNA. Hoe kan deze ogenschijnlijke paradox verklaard worden?



Ant. Als benzo(a)pyreen de cel binnen treed, wordt deze:

1. Gebonden aan een Ah-receptor die het molecuul de kern van de cel in brengt. Hier zorgt het voor activatie van het DRE chromosoom dat op haar beurt weer het cytochroom P450 chromosoom activeert. Na deze activatie wordt er cytochroom P450 in de cel gemaakt.

2. Het wordt geoxideerd door het cytochroom P450 en veranderd in benzo(a)pyreen diolepoxide. Deze stof is de eigenlijke oorzaak van de beschadiging van het DNA.



Vraag 2.

De activiteit van het enzym delta-aminolevulinezuur wordt vaak bepaald in het bloed van arbeiders die werken in een staalfabriek.

A. Waarom doet men dit?

Ant. Het meten van de delta-aminolevulinezuur activiteit in het bloed is biologische monitoring. Dit doet men om te bepalen of de arbeiders bloot zijn gesteld aan een te hoge concentratie van een bepaalde stof.

B. Wat zegt de meting en welke gevolgen kunnen hier aan verbonden zijn?

Ant. De meting zegt hoezeer deze tof wordt geremd door de stof (=lood). Een te hoge lood concentratie in het bloed kan tot mentale achterstand leiden. Lood is een remmer van delta-aminolevulinezuur en door de activiteit van delta-aminolevulinezuur in het bloed te meten kan men bepalen hoe groot de lood concentratie in het lichaam is.

C. Aan welke stof worden de arbeiders dan blootgesteld?

Ant. De stof waar aan de arbeiders worden blootgesteld is lood.



Vraag 3.

A. Noem drie verschillende doelstellingen die men voor ogen kan hebben bij het uitvoeren van een gezondheidsonderzoek onder de bevolking van een wijk waar een bodemverontreiniging is vastgesteld.

Ant.

1. Een individueel gericht onderzoek om onder de bevolking de individuen op te sporen die symptomen vertonen die in verband staan met de verontreiniging zodat die kunnen worden geholpen.

2. Een oorzaakgericht bevolkingsonderzoek waarin bepaald wordt waarom sommige symptomen bij de mensen kunnen voorkomen door de bevolking met een controlegroep te vergelijken.

3. Een situatie gericht onderzoek, gericht op het aantonen of uitsluiten van gezondheidsschade door bepaalde omgevingsomstandigheden.



B. Waarom is het zo moeilijk om de gezondheidsklachten van de bewoners toe te schrijven aan de aanwezige verontreiniging?

Ant. Omdat mensen die weten dat ze zich bevinden in een verontreinigd gebied snel een verband trekken tussen hun ziekte en de verontreiniging. De oorzaak van deze klachten hoeft op zich niet in verband te staan met de verontreiniging.

C. Hoe zou men te werk moeten gaan om een causale relatie te leggen tussen de verontreiniging en de gezondheidsklachten?

Ant. De verkregen gegevens zou men moeten vergelijken met andere gegevens. Uit deze vergelijking zou men een relatie kunnen leggen tussen de verontreiniging en de gezondheidsklachten.