1. In een gezond individu varieert het bloedglucose gehalte rondom 10 gram per liter bloed.

Antw. Nee, het varieert rondom de 1 gram per liter. Bij meer dan 125 mg/dL spreken we van een diabeticus patiŽnt en bij minder dan 45 mg/dL spreken we van hyopglycemia.

2. Acetyl-CoA is de gemeenschappelijke metaboliet in het energiemetabolisme van koolhydraten, eiwitten en vetten.

Antw. Klopt.

3. De citroenzuur cyclus levert metabolieten die kunnen worden omgezet in koolhydraten, eiwitten en vetten

Antw. Klopt.

4. 2D-PAGE is te prefereren boven SDS-PAGE wanneer de zuiverheidsgraad van een geÔsoleerd eiwit moet worden vastgesteld.

Antw. Klopt. De denaturatie detergens SDS kan eiwitten beter scheiden, omdat de binding van SDS proportioneel is aan de lengte van een peptide keten. Het breekt de secundaire, tertiaire en quaternaire structuur op.

5. Behandeling van een eiwit met detergens SDS verstoort de tertiaire structuur van het eiwit.

Antw. Klopt. Het breekt de secundaire, tertiaire en quaternaire structuur op.

6. Het isolelectrisch punt van een eiwit wordt alleen bepaald door de aminozuur volgorde.

Antw. Nee. De balans tussen de zure en basische delen in een eiwit bepaald het isoelectrisch punt.

7. Asparagine bevat een hydroxyl Ėgroep waaraan suikers kunnen worden gebonden.

Antw. Nee. Asparagine heeft geen hydroxylgroep.

8. Hoewel tyrosine een hydrofobe fenyl-ring bevat, kan het toch aan de oppervlakte van een eiwitstructuur voorkomen door de aanwezigheid van de polaire hydroxyl-groep.

Antw. Klopt.

9. In het bloedplasma verhindert de oxidatie van aan ceruloplasmine gekoppelde Cu + ionen de opname van Fe 2+ door transferrine.

Antw. Nee.

10. Biologische membranen beperken de vrije diffusie van geÔoniseerde moleculen.

Antw. Klopt

11. Dubbele bindingen die in membraan-gebonden onverzadigde vetzuren voorkomen zijn van het cis-type.

Antw. Klopt

12. Cholesterol komt niet in membranen voor.

Antw. Nee. Het komt er wel in voor.

13. G-proteinen hebben een GDP-hydroliserende activiteit.

Antw. Nee. Het heeft een GTPase.

14. Gefacitileerde diffusie wordt gekenmerkt door een lineair verband tussen transportsnelheid en concentratie van een verbinding.

Antw. Nee. Het heeft zijn verzadigingspunt.

15. GLUT-2 komt onder andere voor in de lever en de beta-cellen van de pancreas.

Antw. Klopt.

16. GLUT-4 komt voor in de nieren en in vetcellen.

Antw. Nee. GLUT-4 komt voor in de spieren en in adipose tissue.

17. Aangenomen wordt dat de afwezigheid van een actief Cl- kanaal in epitheliale cellen van patiŽnten met cystic fibrosis aan de pathogenese van deze ziekte ten grondslag ligt.

Antw. Klopt.

18. SteroÔde hormonen hebben intracellulaire receptoren.

Antw. Klopt.

19. G-proteinen zijn actief in de GTP-gebonden vorm.

Antw. Klopt.

20. Mannose komt voor in O-glycosidisch gebonden oligosaccharide ketens

Antw. Nee. Ser (Thr), GalNac, Gal en sialic acid komen wel voor op O-glycosidisch gebonden oligosaccharide ketens

21. De zogenaamde core structuur van N-glycosidisch gebonden ketens bestaat uit twee N-acetylglucosamine residuen en drie mannose residuen.

Antw. Klopt. GlcNac-GlcNac-3Man

22. Een N-gebonden suikerketen is een glycaan die aan lysine gebonden voorkomt.

Antw. Nee.

23. GDP-mannose is de precursor van GDP-fucose

Antw. Klopt.

24. De geactiveerde verbinding van siaalzuur is CMP-siaalzuur.

Antw. Klopt.

25. Lactose is een dimeer van galactose.

Antw. Nee.

26. Het zogen van een baby met galactosemia leidt tot leverschade bij de baby.

Antw. Klopt.

27. De suikerketens van proteoglycanen worden ook wel complexe type glycanen genoemd.

Antw. Fout.

28. De oligosaccharide keten van een proteoglycaan is O-glycosidisch gebonden.

Antw. Klopt.

29. Het is uitgesloten, dat in het Golgi systeem glucose residuen aanwezig zijn op N-glycosidisch gebonden oligosaccharide ketens.

Antw. Klopt

30. De mannose-6-fosfaat receptor is een lectine

Antw. Klopt.

31. Alle asparagine residuen van een eiwit kunnen worden geglycosyleerd.

Antw. Nee.

32. Alle serine residuen van een eiwit kunnen worden geglycosyleerd

Antw. Nee.

33. Siaalzuur en fucose zijn in het algemeen eindstandige suikers binnen een glycaan.

Antw. Klopt.

34. Sialyltransferase is een resident enzym van het cis-Golgi

Antw. Nee.

35. Bij het ontbreken van de mannose-6-fosfaat receptor in het Golgi systeem zal de afbraak van glycanen in de lysosomen ernstig verstoord zijn

Antw. Klopt.

36. CDG 1A wordt veroorzaakt door een homozygote mutatie is fosfomannose-2-mutase (MMP2)

Antw. Nee.

37. In principe zou het mogelijk moeten zijn om bij een CDG Type 1b patiŽnt het tekort aan GDP-mannose te verminderen door het toedienen van vrij mannose.

Antw. Klopt.

38. In verschillende core structuren van O-glycosidisch gebonden glycanen komt N-acetylgalactosamnine voor tezamen met een mannose residu.

Antw. Nee.

39. Glycosaminoglycanen zijn altijd gesulfateerd.

Antw. Nee.

40. Hyaluronzuur is een proteoglycaan.

Antw. Nee. Het is een GAG (glucosaminoglycaan) die bestaat uit repeterende GlcNAc en GlcUAís.

41. De basis-structuur van de determinanten van de bloedgroepantigenen A en B bestaan uit de determinant van bloedgroep H (of 0)

Antw. Klopt.

42. Glycolipiden zijn geglycosyleerde fosfolipiden.

Antw. Nee. Glycolipiden zijn sphingolipiden met een covalent gebonden suiker.

43. Gangliosiden bevatten een of meerdere siaalzuur moleculen.

Antw. Klopt.

44. Bij gangliosiden is siaalzuur niet altijd een eindstandig esuiker

Antw. Klopt.

45. Suppletie van de voeding met liposomen die GM1 bevatten in hun buitenmembraan zal naar alle waarschijnlijkheid de schadelijke effecten van een Vibro cholera infectie van de darmen kunnen tegengaan.

Antw. Klopt.

46. Fucosyltransferases zijn betrokken bij de biosynthese van proteoglycanen.

Antw. Nee.

47. Lectinen en glycosyltransferasen hebben overeenkomstige eigenschappen t.a.v. de specificiteit waarmee ze bepaalde koolhydraatstructuren kunnen herkennen.

Antw. Klopt.

48. E-selectine is een marker voor niet-geactiveerde endotheliale cellen.

Antw. Nee.

49. Lewisx gekoppeld aan een drager is een veelbelovende remmer voor de overmatige binding van leucocyten in een infarct gebied.

Antw. Nee.

50. Influenza virus bindt aan siaalzuur moleculen op zijn doelcellen.

Antw. Klopt.

51. L-selectine is verantwoordelijk voor de primaire aanhechting van leukocyten in lymfoide organen.

Antw. Klopt.

52. Mannose bindingseiwitten maken deel uit van het antibacteriŽle repertoire van het immuunsysteem.

Antw. Klopt.

53. Alle lectinen hebben calcium nodig voor binding aan hun koolhydraat liganden.

Antw. Nee.

54. De dubbele bindingen die in de membraan-gebonden onverzadigde vetzuren voorkomen zijn van het cis-type.

Antw. Klopt.

55. Aspirine rempt COX-1 en COX-2.

Antw. Klopt.

56. De afbraak van fosfatidylcholine door fosfolipase D levert als producten choline en fosfatidylzuur.

Antw. Klopt.

57. GPI-gebonden eiwitten kunnen worden afgesplitst van het lipide deel door fosfolipase C of fosfolipase D.

Antw. Klopt.

58. Leukotriene3 bevat 3 dubbele bindingen.

Antw. Klopt.

59. Celmembranen bevatten: Gangliosiden, vrij arachidonzuur, fosfatidylserine, cholesterol, glycerol.

Antw. Klopt, Nee, Klopt, Klopt, Nee.

60. Biochemische membranen bestaan altijd uit een fosfolibiden dubbellaag.

Antw. Fout. Ze kunnen ook uit een enkele lipide laag bestaan.

61. Cholesterol esters zijn fosfolipiden waarin de polaire groep vervangen is door cholesterol.

Antw. Fout.

62. Verschillende apo-proteinen kunnen worden uitgewisseld tussen bijvoorbeeld HDL en VLDL.

Antw. Klopt.

63. Cholesterol esters in HDL kunnen worden uitgewisseld tegen triglyceriden in LDL d.m.v. ďcholesterol ester transfer proteinĒ

Antw. Klopt.

64. De rigiditeit van een membraan neemt af bij een toename van vrije cholesterol moleculen in dat membraan.

Antw. Nee.

65. Cholesterol aanwezig in de celmembranen van endotheliale cellen kan door fysisch contact worden opgenomen in de membraan van de HDL deeltjes.

Antw. Klopt. HDL verwijderd de cholesterol deeltjes en transporteerd ze naar de lever.

66. Het ligand voor de LDL receptor komt ook voor op IDL en VLDL.

Antw. Klopt.

67. Lipoproteine lipase heeft een bindingsplaats voor een endotheliale proteoglycaan.

Antw. Klopt.

68. LDL is een remnant van chylomicronen.

Antw. Nee.

69. De cholesterol esters die HDL3 heeft opgenomen uit IDL en LDL worden via de scavanger-receptor afgegeven aan de lever.

Antw. Nee.

70. Apo-B100 is een andere naam voor de LDL-receptor.

Antw. Nee.

71. Chylomicronen zijn onder alle omstandigheden te detecteren in het bloedplasma.

Antw. Nee.

72. Een verhoging van de Vmax van een enzym heeft een evenredige verhoging van de Km tot gevolg.

Antw. Nee.

73. Allosterische enzymen bestaan uit tenminste twee subeenheden.

Antw. Klopt.

74. Binding van een positieve allosterische effector aan een allosterisch enzym heeft tot gevolg dat de Km van het betreffende enzym voor zijn substraat wordt verlaagd.

Antw. Klopt.

75. Een verhoging van de cytoplasmatische cAMP concentratie heeft activering van de cAMP-afhankelijke fosfatase tot gevolg.

Antw. Nee.

76. De precursor voor Coenzyme A (CoA) is panthotheenzuur (Vitamine B5).

Antw. Klopt

77. De precursor voor NADP is niacine (Vitamine B3).

Antw. Klopt.

78. De opslag van vetzuren is rechtsreeks afhankelijks afhankelijk van het bloedglucose gehalte.

Antw. Klopt.

79. Gluconeogenese en lipogenese zijn gelijktijdig verlopende processen in de lever.

Antw. Nee.

80. Bij een daling van het bloedglucose gehalte worden vetzuren afgegeven door het vetweefsel vanwege een activatie van de hormoongevoelige lipase door glucagon en door een tekort aan glycerol-3-fosfaat vanwege een verminderde glucose opname door het wegvallen van de activatie van GLUT-4 onder invloed van insuline.

Antw. Klopt.

81. In de cel zijn vetzuren veresterd aan Coenzyme A tot acyl-CoA moleculen vanwege hun lage oplosbaarheid als vrij vetzuur.

Antw. Klopt.

82. De citroenzuurcylcus is de verbindende schakel tussen glycolyse en lipogenese.

Antw. Klopt.

83. In de lever vindt ketogenesis alleen plaats als er door de lever meer vetzuren worden opgenomen dan nodig zijn voor de energievoorziening van de levercellen.

Antw. Klopt.

84. Fosforylering van sleutelenzymen heeft altijd een inactivering van de enzymactiviteit tot gevolg.

Antw. Nee.

85. In de alanina-glucose cyclus is alanine het product van een transamineringsreactie tussen pyruvaat en een aminozuur dat als aanvullende energiebron benodigd is in de skeletspieren.

Antw. Klopt.

86. Bij een tekort aan glucose dienen vetzuren als vervangende energiebron voor skeletspieren en het centrale zenuwstelsel.

Antw. Nee.

87. Ketolichamen kunnen als energiebron worden gebruikt door de hersenen en erythrocyten.

Antw. Nee.

88. De GLUT-2 transporteur is in levercellen vrij toegankelijk voor glucose-6-fosfaat.

Antw. Nee.

89. Het bloedglucose gehalte wordt in de vroege postabsorptie periode op peil gehouden door onder andere de hydrolyse van glycogeen in de skeletspieren.

Antw. Nee.

90. Insuline kan via indirecte remming van cAMP fosfodiesterase de door glucagon geÔnduceerde activering van proteinkinase A tegengegaan.

Antw. Klopt.

91. De second messenger bij activatie van de alfa-adrenerge receptor door adrenaline is cAMP.

Antw. Nee.

92. Bij een toename van deinsuline/glucagon ratio in het bloed stijgt het aantal GLUT-4 moleculen op de celmembranen van skeletspier- en vetcellen door een translocatie van GLUT-4 vanuit intracellulair membraan vesicles.

Antw. Klopt.

93. Een tekort aan NAD+ in het cytoplasma van een skeletspiercel wordt opgelost door een reductie van pyruvaat tot lactaat door middel van lactaat dehydrogenase.

Antw. Klopt.

94. Ketolichamen kunnen via de citroenzuurcyclus worden omgezet in glucose-6-fosfaat.

Antw. Nee.

95. Fructose-2,6-bifosfaat is een allosterische activator van het eerste sleutelenzym van de glycolyse.

Antw. Klopt.

96. Oxaloacetaat en pyruvaat zijn ketozuren.

Antw. Klopt.

97. Bij de beta-oxydatie van vetzuren worden de reductie-equivalenten afgevoerd als NADPH+H+

Antw. Nee.

98. Het eindproduct van de beta-oxydatie, acetyl-CoA, kan worden omgezet in glucose.

Antw. Nee.

99. Ketolichamen zijn in de post-prandiale periode bij gezonde personen niet, maar bij niet goed ingestelde diabetes mellitus Type 1 patiŽnt wel aantoonbaar in het plasma.

Antw. Klopt.

100. Glycation treedt bij niet goed ingestelde diabetus mellitus patiŽnten ook op bij albumine.

Antw. Klopt.

101. Bilirubine is een wateroplosbaar afbraakproduct van haem-groepen.

Antw. Nee.

102. Paracetamol moet eerst in een cytochroom-P450 afhankelijke reactie geoxydeerd worden voordat het via conjugatie aan glucuronzuur onschadelijk kan worden gemaakt.

Antw. Nee.

103. De omzetting van ethanol in acetaat leidt tot een verminderde opname van lactaat door levercellen vanwege een tekort aan NAD+.

Antw. Klopt.

EINDE.