Deeltentamen 2 cel biologie 2001

1. Je hebt vier situaties.

a. Een eiwit dat twee keer door een lipide bilaag heen gaat en zowel zijn N-terminus als zijn C-terminus aan de cytoplasma kant heeft zitten

b. Een eiwit dat twee keer door een lipide bilaag heen gaat en zowel zijn N-terminus als zijn C-terminus aan de lumen kant heeft zitten

c. Een eiwit dat een keer door een lipide bilaag heen gaat, deels aan de cytoplasma kant gehecht is, zijn N-terminus aan de cytoplasma kant en zijn C-terminus aan de lumen kant heeft zitten

d. Een eiwit dat een keer door een lipide bilaag heen gaat, deels aan de lumen kant gehecht is, zijn N-terminus aan de lumen kant en zijn C-terminus aan de cytoplasma kant heeft zitten

Het eiwit is overwegend hyrdofoob en bestaat uit 20 amino zuren. Welke van de vier is de meest voor de hand liggende situatie?

2. Je hebt een eiwit waar de volgende handelingen mee gedaan zijn:

a. Aan de N-terminus is een ER signaal sequentie gehangen.

b. Aan de N-terminus is een mitochondriele presequentie gehangen

c. Aan de N-terminus is een ER signaal sequentie gehangen en aan de C-terminus is een mitochondriele presequentie gehangen.

Wat zal de eindbestemming zijn van de eiwitten? Leg nader uit.

3. Noem twee functies van de "proteine coat" om vesicles. Beschrijf ze nader.