Proefvragen Gezondheid en Milieu, colleges Milieutoxicologie (N.M. van Straalen)



Proefvragen blok I


Er kunnen fouten in de antwoorden zitten!


1. De groep van polychloordibenzeno(p)dioxines omvat 75 verschillende chemische verbindingen die onderling zeer sterk verschillen in toxiciteit. Toch is er maar een dioxine-norm voor het maximaal toelaatbare gehalte in melk, die wordt uitgedrukt in pg per g melkvet.

A. Hoe kan men voor 75 stoffen toch werken met een norm?

Antw. Door de toxiciteitsequivalentiefactoren (TEF) van de 75 stoffen te vermenigvuldigen met de concentratie van de stoffen. Hieruit krijg je de toxiciteitsequivalent (TEQ). Al de TEQ's opgeteld leveren samen een concentratie die de toxiciteit van alle stoffen bij elkaar weergeeft (er wordt gemeten vanuit de giftigste stof - hier TCDD).

B. Welk type combinatiewerking moet men veronderstellen wil deze benadering geldig zijn?

Antw. Om precies te zijn: geen. Er mag geen antagonisme of synergisme optreden, anders geeft de waarde die uit de berekening komt niet de werkelijke toxiciteit weer.



2. In een toxicologisch experiment met het organofosfaatinsekticide dimethoaat doet men de volgende waarnemingen:

Dosis (micro gram/kg lichaamsgewicht) Gemiddelde groei van de proefdieren (g/week)
0 5,6
2 5,4
5 5,7
10 4,1
50 2,3

Bereken de residutoloerantie voor dimethoaat in sla, uitgaande van een dagelijkse consumptie van 100 g sla per dag voor een volwassen persoon.

Antw. Uit de tabel is af te lezen dat bij een concentratie van 10 micro gram/kg lichaamsgewicht er een duidelijke afname van de groei is, dus neem je de waarde daarvoor .

Je deelt 5^-3 (omdat het in mg aangegeven moet worden) door 7 (want het moet per dag), vervolgens deel je de uitkomst door 100 (de uitkomst is de dit is de acceptable daily intake) en vermenigvuldigd met 60 (nu heb je de maximale dagelijkse dosis in mg). Tenslotte deel je alles door de hoeveelheid geconsumeerd voedsel per dag waar de stof in gezeten kon hebben (in g), dus door 100 g. Nu heb je de maximaal toelaatbare concentratie. Het laatste gedeelte om tot de residutolerantie te komen begrijp ik niet.



3. Op voormalige gasfabriektereinen wordt regelmatig bodemverontreiniging met cyanide aangetroffen.

A. In welke drie chemische species os cuandide in de bodem aanwezig?

Antw. Als vrij cyanide, als hexacyanoferraat en als Berlijns blauw.

B. Welke van deze drie species is giftig voor de mens?

Antw. Vrij cyanide.

C. Op welke primaire leasie is deze giftigheid gebasserd?

Antw. De vrije cyanide gaat in hemoglobine op de plak van het zuurstof zitten. Hierdoor neemt de mogelijkheid om zuurstof te vervoeren af.

D. Waarom wordt een bodemmonster van dit terrein in het donker bewaard tot de chemische analyse?

Antw. Omdat onder invloed van licht Berlijns blauw snel omgezet kan worden in vrij cyanide.