Antwoorden op de vragen van History of Science 2004 Mastervak Biomedische wetenschappen

 

Antwoorden op vragen thema 1: From natual biology to modern biology

Artikel: G. Pancaldi, The Oxford Companion to the history of Modern Science.

Vraag 1:

In dit artikel wordt over natuurlijke historie gesproken als in de ontwikkeling van de “life sciences” die afhankelijk is van andere ontwikkelingen en factoren, zoals: nieuwe experimente technieken, ontdekkingsreizen, de invloed van religies, uitvinding van de microscoop, enz. Deze ontwikkelingen en factoren hebben allemaal op een bepaalde manier invloed gehad op de ontwikkeling van life sciences.

Vraag 2:


In dit artikel wordt de tegenwoordige biologie beschreven als een meervoud van onderzoekstradities en experimenten waardoor de mensheid meer inzicht krijgt in het “leven” van de mens en dit inzicht ook gebruikt ten voordele van de mensheid en zijn plaats in de natuur.

Vraag 3:


Stappen in de ontwikkeling van natural history naar modern biology:


1800: introductie van het woord biologie.

1859: Darwin’s Origin of species komt uit.

17e en 18e eeuw: ontwikkeling van nieuwe experimente technieken. Chemistry werd geïntroduceerd in de levenswetenschappen.

1839: ontwikkeling van cel-theorieën en nieuwe microscpische technieken.

1930: - introductie van de electronenmicroscoop.
- chemische analyses, verbeterde microscopische technieken, centrifuges.
- Chromatografie

1930: populatie-genetica

1940: identificatie van DNA

1953: ontdekking dubbele-helix structuur van DNA door Crick en Watson.

1960: het breken van de genetische code
1988: start van Human Genome Project.

1990: ontwikkeling van “computational biology”

2001: publicatie sequentie humaan genoom.


Opdrachten bij thema I: From natural history to modern biology: 5 januari 2004
History of Life Sciences 2003-2004

* G.Allen, ‘The influence of Darwinian thought on late ninetheenth-century biology’, in Life Science in the Twentieth Century (Cambridge University Press, Cambridge, 1978),p. 1-19

1. Natuurlijke historie is een verouderde visie in de biologie. Voor de 20e eeuw ging men de natuur in om te kijken hoe de natuur in elkaar zat. Toen werden geen experimenten uitgevoerd of data verzameld om theorieën te bewijzen. Er werd louter gekeken naar de natuur om zo met waarnemingen en logica problemen op te lossen. Het resultaat was dat de antwoorden en oplossingen vaak speculatief waren. In het begin van de 20e eeuw was Hugo de Vries één van de eersten die experimenten gebruikte om antwoorden te vinden op biologische problemen. Binnen de biologie verschoof de evolutieleer vanuit de descriptieve natuurlijke historie naar de experimentele analyse. Het accent binnen deze tekst ligt vooral bij het introduceren van het experimentalisme. Het wetenschapsgebied van de biologie werd dus een mix van natuurlijke historie met waarnemingen en van experimentele analyse. Door het introduceren ven experimentele methoden in de biologie, werd het onderzoeksgebied van de biologie beter geïntegreerd in de wetenschap van de biologie.

2. De auteurs van dit artikel beschouwen vooral experimentele analyse als typisch voor de tegenwoordige biologie. Natuurlijke historie wordt als ouderwets beschouwd. De bewuste pogingen naar oplossingen in de biologie worden in de loop van de tijd steeds gerichter op het vinden van biologische theorieën met fysiologische concepten en methoden. Omdat dit artikel over het algemeen een beschouwend artikel is, geven de auteurs wat betreft dit onderwerp geen nadruk ergens op.

3. De verandering naar de moderne biologie in het begin van de 20e eeuw had veel weg van de visie op experimentele wetenschap in de fysiologie uit de 19e eeuw. De fysiologie uit de 19e eeuw was vooral van reductieve aard. De richtlijnen voor het juist bestuderen van organismen in de nieuwe biologie kwamen dan ook uit de fysiologische tak van de wetenschap. De ommekeer zelf in de biologie was het gevolg van een opstand tegen de morfologie in die tijd. De morfologie was de leer van de vormen. Vooral de jonge biologen werden zo rond 1860 opstandig en creëerden een nieuwe analytische en experimentele biologie. Deze onderzoekers wilden nieuwe vragen beantwoorden. Ze wilden niet alleen weten hoe iets er uit zag, maar ook waarom het er zo uit zag. Verschillende aspecten van de oude biologie stond hen niet aan. Ten eerste dat alle aspecten uit de morfologie het gevolg zouden zijn van de evolutie. Ten tweede was het vooral de speculatieve aard van de wetenschap op dat moment. Deze kentering in de biologie rond het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw werd op gang gebracht door het uitbrengen van de evolutietheorie van Darwin. Veel discussies braken los na het bekend maken van de evolutietheorie. En na jaren van discussies wilden de biologen ook weten hoe evolutie plaats kan vinden en er nieuwe soorten kunnen ontstaan in een relatieve korte periode. De Nederlander Hugo de Vries probeerde als één van de eerste biologen uit die tijd de vragen op een experimentele manier te vinden.
Het accent van de auteurs ligt vooral op de invloed van Darwin, de opstand tegen de morfologie en de rol van Hugo de Vries in het geheel.


W. Coleman, ‘The experimental ideal’, Biology in the Nineteenth Century
(Cambridge University Press, Cambridge, 1977), p. 160-166

1. Wat wordt onder natural history verstaan in dit artikel?

Natuurlijke historie is een leer die de opeenvolging van
ontwikkelingsstadia van een soort bestudeert van een primitieve oervorm
tot de hedendaagse nieuwe soort. Er wordt geobserveerd, beschreven en
geclassificeerd. Er komen geen experimenten aan te pas.

Waarop ligt het accent in deze tekst?
Het accent ligt op het beschrijvende aspect van de natuurlijke historie.
De verklaringen die worden gegeven liggen in het vaststellen van de
chronologische volgorde in de ontwikkeling. Nieuwe soorten worden
veroorzaakt door eerdere ontwikkelingsstadia. Er wordt aangenomen dat
opeenvolging een voldoende causale verklaring is.

2. Wat is volgens de auteur typisch voor de huidige biologie?

Typisch voor de huidige biologie is de experimentele benadering om
verbanden te kunnen leggen en de functie van biologische structuren vast
te stellen.

Waarop ligt het accent in deze tekst?
Het accent ligt op het gebruik van experimenten in plaats van het
beschrijven van waarnemingen.

3. Welke stappen zijn er volgens de auteur te onderscheiden in de
ontwikkeling van natural history naar modern biology en wanneer vonden die
stappen plaats?

Tot 1870 was de natuurlijke historie de leidende wetenschapsvorm in de
biologie. Belangrijkste aandachtspunten waren de embryonale ontwikkeling
en evolutie van de soorten. In 1870 kwam de psychologie op die gebruik
maakte van experimenten om de menselijke psyche te bestuderen. In de
periode van 1880-1890 kwam de fysiologie op die met behulp van
wetenschappelijke instrumenten experimenten deed om de functie van
biologische structuren te onderzoeken. In 1900 was de natuurlijke historie
ondergeschikt geraakt aan het gebruik van experimenten. In 1909 ontstond
de genetica voor het eerst als een exacte wetenschap.

Waarop ligt het accent in deze tekst?
Het accent ligt op de opkomst van de fysiologie waardoor de natuurlijke
historie moest wijken voor de experimentele wetenschap.


G.E Allen, “The influence of Darwinian thought on late nineteenth-century biology”

Introduction:

Twee begrippen die je moet kennen om de tekst goed te kunnen volgen:
· Reductionisme wordt omgeschreven als de opvatting dat biologische samenstellingen/gehelen ‘in wezen’ niets meer zijn dan verzamelingen van atomen en moleculen à de biologie wordt geanalyseerd in termen van hun fysische-chemische delen, dus een speciale tak van de natuur- en scheikunde.
· Holisme wordt omgeschreven dat biologische samenstellingen/gehelen emergente eigenschappen hebben, die hun fysische-chemische delen niet bezitten; dat biologisceh wetten en theorieën dus niet gereduceerd kunnen worden tot fysische-chemisceh; en dat biologische gehelen op hun eigen niveau onderzocht moeten worden.

1) Filosofie: tussen mechanisme en holisme (inclusief: dialectisme) materialisme
2) Methododologically: nadruk op de beschrijving en experiment
3) Economisch: de verplaatsing van agrarische naar industriële samenleving (de Westen)
4) Andere factoren zoals introductie van nieuwe technologie’s en oprichting van instituten.

During the first half of the nineteenth century biology was dominated largely by issues of natural history: taxonomy, new discoveries relating to geographic distribution, fossils and extinction, and of course comparative anatomy.
Physiology ß à biology. Biology ß à Medical. The connection of physiology to general biology was clearly recognized, but it shared a largely different intellectual and social base until at least the 1840s.

Negentiende eeuw:
Tot 1840 werd bij biologie voornamelijk met morfologie en taxonomie beziggehouden.
Tussen 1840 en 1860: vele veranderingen vonden plaats. Toen ging men biologie ook vanuit de hoek mechanisme en reductische fysiologie bestuderen. Tegelijkertijd kwam in 1859 ook niet-fysiologische benadering à Darwin’s On the Origin of Species à dus meer nadruk op beschrijvingen en synthetisch methode (dit omvat: (gescheiden) omgevingen, vergelijkende anatomie, geologie/palaeontolgoie, geografische verdeling, taxonomie, ecologie en gekunstelde opvoeding/verwekking) ZO HEB IK HET BEGREPEN UIT DE TEKST. Tot in de late 19de en begin 20ste eeuw: morfologie domineerde meeste van biologische onderzoekingen. Van 1800 tot ca. 1850/90 werd biologie met nadruk op de waarneming, vergelijking, (morfologie!!!).
Meer en meer nieuwe studenten vanaf 1890 (geboren na 1865 of 1870) willen biologie vanujit andere oogpunt benaderen ipv alleen maar morfologie. Erfelijkheid, (alternatieve) experimenten, vragen stellen (theorieën bewijzen of betwisten: hypothese), hoe werken biologische systemen. Ook wiskunde, statistieken e.d. werden meer en meer gebruikt voor ondersteuning of betwisting van hypotheses.
Biologen gingen natuur ook vanuit het oogpunt van reductionisme benaderen (in laat 19de eeuw). Echter deze benadering heeft nog niet zo veel invloed tussen 1890 en 1920. ZOVER IK HET HEB BEGREPEN: de holistische benadering bleef voorlopig in discussies domineren. Meer en meer winnen analytische en reductionisme methoden het terrein o.a. door de nadruk van kwantitatieve en experimentele benadering.
Rond 1910: Mendel’s genetische (erfelijkheid) theorie kwam in zwang, dus ook volgens analytische en reductionisme methode. Vanaf dat moment begon genetica een belangrijke rol te spelen in nieuw biologie. Uiteindelijk kwam er genoom project in jaren 90 vorige eeuw van de grond.
Gedurende 20ste eeuw van alleen maar beschrijvende werk over de natuur (in het veld) nar experimenteel en analytische werk in het laboratorium. Vele organische modellen deden intrede voor de fysiologische of genetische onderzoek bijvoorbeeld een fruitvlieg. Maar het onderzoek in het veld bleef wel het bestaan. Eigenlijk kwamen er vanuit een simpele discipline biologie met alleen taxonomie en morfologie naar ecologie, genelogy, moleculaire biologie enzovoorts. En ze overlappen elkaar sterk.
De technologische ontwikkeling heeft ook een sterke invloed gehad op de ontwikkeling van het vak biologie. Met meer handige gereedschappen kon men meer dingen gaan experimenteren. En door meer experimenten leiden ook tot meer vragen en vraag naar nieuwe technologische gereedschappen. En vica versa. Door opkomst van electronen microscopie kon men ook ineens celdetails bestuderen: moleculaire niveau. Enzovoorts:. Zelf oude technologie bleven nuttig, met of zonder nieuwe hulpmiddelen, oa fluerescentie.
Ook gedurende 20ste eeuw kwam op maatschappelijke vlak in veranderingen. In het begin waren alleen biologen binnen universiteit en vaak maar paar. En ze hadden ook weinig contacten onderling. Er werden staat of privé of industriele intstituten opgericht (eigenlijk al in 19ste eeuw o.a. pasteur of koch of niet??). Door toename van instituten en meer collegas werden contacten ook intensitiever en werden vaker kennis uitgewisseld.

 

Opdrachten bij thema II: Darwinian Evolution: 6 januari 2004
History of Life Sciences 2003-2004

Mark Jochims
Daniel Cremers
Gregar van Bachove
Ron Berends


Opdracht 1
Beschrijf welke argumenten Bowler aanvoert om de redelijk snelle acceptatie van Darwins ideeën te verklaren. Laat daarbij zien hoe de verschillen in de mate van acceptatie in Engeland, Frankrijk en Duitsland volgens Bowler samenhangen met de culturele erfenis in die landen.

Darwin had laten zien dat het ontstaan van soorten wetenschappelijk onderzocht kan worden. Hij kon met zijn theorie enkele fenomenen verklaren die met de reeds bestaande theorieën niet verklaard konden worden.
In Engeland was de steun van de naturalisten erg belangrijk voor het verspreiden van zijn theorie. Zijn vriend Huxley kon Darwins theorieën goed presenteren gaf ze via zijn connecties in de politieke en wetenschappelijke sferen meer autoriteit.
In Frankrijk werd de evolutietheorie slecht ontvangen. De Franse wetenschappers zagen meer in de theorieën van Lamarck. Ze konden niet accepteren dat evolutie een ad random proces was. Ze geloofden dat veranderingen in de anatomie door aanpassingen en niet door selectie ontstonden.
In Duitsland kreeg de theorie meer aanhang dan in Frankrijk. Dit kwam voornamelijk doordat de theorie door radicale politieke stromingen werd gebruikt als argument tegen het conservatisme. Echter de Duitse Darwinismus was niet uitsluitend gebaseerd op het principe van selectie.

Opdracht 2
Geef een samenhangend overzicht van de bezwaren tegen de evolutietheorie van Darwin, zoals Bowler die naar voren brengt, zonder teveel op de details in te gaan. Ga vervolgens meer expliciet in op de bezwaren tegen het selectiemechanisme.

In de fossiele vondsten waren geen overgangsvormen te vinden voor alle soorten. Dit werd als argument gebruikt tegen het ontstaan van kleine veranderingen die tot een nieuwe soort leiden.
Kelvin gaf als argument dat de aarde pas 100 miljoen jaar geleden “koud” genoeg was om er leven op te laten ontstaan. Hierdoor zou er niet genoeg tijd zijn geweest om de langzaam voortschrijdende evolutie mogelijk te maken.
Volgens Darwins evolutietheorie zouden de nieuw verworven kenmerken nuttig moeten zijn. Een argument daartegen was dat er ook nutteloze kenmerken te vinden zijn in organismen.
Darwin stelde dat er sprake was van pangenesis. Volgens Eisely was pangenesis een argument voor de theorie van Lamarck.
Een ander argument tegen het ontstaan van nieuwe soorten door evolutie was dat dit niet plaats kon vinden zonder geografische scheiding. De organismen met nieuwe kenmerken zouden door het paren met soortgenoten zonder die kenmerken nakomelingen krijgen die de kenmerken niet meer hadden.
Darwin zou in het opstellen van zijn theorie te speculatief zijn. Hij zou te weinig bewijs proberen te vinden voor zijn theorie.
Selectie kon niet de ware oorzaak kunnen zijn van evolutie.


Opdracht 3:


Suggestie: Het artikel lijkt de relatie tussen darwinisme en christendom te gebruiken als illustratie bij zijn visie op de relatie tussen geloof en wetenschap in het algemeen.


Ik ben het hier niet helemaal mee eens. Het gaat hier over de evolutietheorie van Darwin. Een theorie die loodrecht tegenover het scheppingsverhaal van het Christendom staat. De evolutietheorie is wel een onderdeel van de wetenschap, maar de discussies die worden beschreven kunnen naar mijn idee niet worden gebruikt om het totale verhaal van geloof vs. Wetenschap te illustreren. Het artikel is veel meer toegespitst op JUIST de relatie tussen darwinisme en christendom.

Zo wordt er al aan het begin uitgelegd hoe het zou zijn gekomen dat Darwin van zijn geloof is afgestapt. De dood van zijn dochter en vader zouden daarmee te maken hebben gehad. Het artikel beschrijft ook hoe het “Christendom” reageerde op Darwins theorie en dat deze reacties ook afhingen van de locatie waarin zich dit afspeelt (Edinbrough en Belfast).

Het christendom was in de tijd van Darwin ook onderdeel van de cultuur die er heerste. Livingstone beschrijft ook hoe de evolutietheorie invloed had op het feit dat er zo’n verschil was tussen rijk en arm. Voor de evolutietheorie was het de wil van god dat bepaalde wie er rijk was en wie niet. Later met de theorie werden deze verschillen veroorzaakt door de wetten van de natuur. Hoe dan ook, de verstandhoudingen bleven gehandhaafd.

Je ziet dus, dat het niet alleen over de relatie darwinisme/christendom gaat, maar ook over de relatie darwinisme en de heersende cultuur op da moment. Nog een reden, voor mij, om het niet eens te zijn met bovenstaande suggestie. Natuurlijk is de relatie darwinisme/christendom een onderdeel van de veel grotere relatie wetenschap/geloof, maar naar mijn mening is het niet zo dat de eerste ter illustratie dient voor het tweede.


“Wat is de visie van Livingstone op de relatie geloof-wetenschap?”

Livingstone vindt dat de confrontatie tussen geloof en wetenschap niet moet worden gezien als een gevolg van een conflict of samenwerking. De zoektocht naar de relatie tussen de twee is nutteloos omdat die er simpelweg niet is. Ik denk dat zijn visie inhoudt dat wat er gebeurt bij een confrontatie tussen wetenschap en geloof afhangt van de situatie waar dit zich plaatsvindt. Hij geeft een aantal goede voorbeelden, naar mijn inziens, en illustreert het mooi met de woorden: “what was said” en “what could be heard”.


Opdracht 4
Sociaal darwinisme is de link tussen biologie en het sociaal progressionisme. In zowel de evolutieleer als in de maatschappij moesten er hindernissen overwonnen worden om progressieve vooruitgang te kunnen boeken. De ‘survival of the fittest’ werd als excuus gezien voor het kapitalisme om grove winsten te kunnen maken en alleen zelf te profiteren. Immers de ‘survival’ is een natuurwet. Maar de uitleg van de definitie kan verschillende verklaringen opleveren. Zo kan deze definitie een rechtvaardiging zijn voor het overwinnen en vernietigen van zwakkere rassen of naties. Aan de andere kant kan de eugenetica bevorderen. Dus dat wil zeggen het verbeteren van een ras door alleen de goede individuen te laten voortplanten. De definitie van het darwinisme is blijkbaar wijd verspreid toepasbaar. Mensen gebruikten de theorie van Darwin slechts als instrument om een bij scala aan doelen toe te passen. Het feit dat een wetenschappelijke theorie de waarden van een ideologie kan vertegenwoordigen resulteert dus in absurde denkbeelden. Als je analogie van je redenering zo aanpast kan je haast elke wetenschappelijke theorie als rechtvaardiging gebruiken voor een bepaald denkbeeld.
Bij de rassenleer is de stelling dat sommige rassen inferieur zijn aan de andere rassen afgeleid van de evolutietheorie. Maar deze gedachte is slechts gebaseerd op het geloof dat individuen zich kunnen verbeteren als ze aan de juiste stimulus worden blootgesteld. De grote paradox van de rassenleer is dus dat de lagere rassen gedoemd waren tot het lager in rang blijven ten opzichte het witte ras en geen vooruitgang konden boeken. Terwijl juist het witte ras wel in staat zou zijn om continue progressie te boeken.
Binnen het nationalisme gelden bijna dezelfde ideeën als bij de rassenleer. Omdat de Europeanen vroeger de andere rassen ontdekten en niet andersom zou het witte ras mogen heersen over de andere rassen. Maar als je kijkt naar het idee van de evolutieleer met de ‘survival of the fittest’ is het onmogelijk te achterhalen in de historie welk ras nu het meest ontwikkeld is.
Het individualisme en het imperialisme zijn opponenten van elkaar omdat aanhangers van beide ideologieën de andere denkwijze afwijzen. Maar beiden denkbeelden doen beroep op de theorie van Darwin. Ze doen dit beiden wel op een oppervlakkige manier. Het is namelijk niet mogelijk om aan te nemen dat kapitalisme een culturele omgeving zou kunnen zijn waarin natuurlijke selectie zijn werk zou kunnen doen.
Eugenetica is het stimuleren van voortplanting door individuen die goede eigenschappen bezitten. Daarmee is dus onlosmakelijk verbonden het ontmoedigen van voortplanten door individuen met mindere eigenschappen. Binnen dit biologisch determinisme moet dus wel duidelijk zijn waar we als ras heen gaan. Hoe kan nu bepaald worden door menselijk ingrijpen wat het voortbestaan van mens als soort in de toekomst zal bevorderen? Dat is niet mogelijk en eugenetica is dus ook een manier waarbij de theorie van Darwin verkeerd wordt gebruikt.

Vraag 5:

In het eerste artikel van Bowler begon wel een aantal opmerkingen over de relatie tussen darwinisme en christendom. Vervolgens ging het artikel tot aan het slot voornamelijk over de mogelijke gebreken in Darwin’s theorie. Hij brengt naar voren dat Darwin’s theorie veel gebreken of geen sterke onderbouwing hebben, o.a. het ontbreken van complete fossielen die een waterdicht bewijs van de evolutie zouden moeten onderbouwen. Ook geeft hij een kritische noot weer dat Darwin en zijn aanhangers vele gaten in hun bewijs voering naar de volgende generatie van wetenschappers hebben geschoven (ze zullen het vast wel kunnen dichten als ze zelf niet kunnen). Verder zouden ze ook erg flexibel zijn geweest met hun theorie en daardoor zouden hun tegenstanders ze niet hebben kunnen bestrijden. Met zulke suggestie’s van de schrijver kreeg ik op den duur de indruk dat de schrijver beetje aan de kant van tegenstanders zit, maar in het slot blijkt (misschien) toch weer niet te zijn. Pas in het slot brengt hij het christendom weer even ter sprake (niet uitgebreid) met een opmerking dat tegenstanders die in God geloven en tegenwerpen dat de evolutie theorie eigenlijk gebaseerd is op het empirisme zelf in de val lopen omdat hun geloof in feite ook het empirisme is. Ook schreef hij dat (huidige) tegenstanders van het evolutie theorie vaak zelf in de schepping van God geloven (tegenhanger van de evolutie). Dus in dit artikel draaide niet echt om het christendom versus darwinisme maar meer om Darwinisme en zijn gebreken en pogingen van anti Darwinisme om de evolutie theorie compleet onderuit te halen wat dusver nog niet gelukt is.

Dus kort samengevat: het is het heel ander verhaal dan van Levingstone artikel. In Levingstone artikel draaide meer om de relatie tussen darwinisme en christendom. Hier zouden dan worden uitgelegd waarom Darwin niet meer in God gelooft. Dat christendom toen nog een overheersten cultuur was. Hoe christendom toen op Darwins theorie heeft gereageerd en mate van reacties ook afhing van locaties.

Ik vind dat Levingstone suggestiever is dan Bowel. Zo geef Levingstone wel duidelijk zijn visie in zijn artikel weer. Wel keek ik af en toe van op in Bowels artikel wanneer hij bijvoorbeeld schreef dat Darwin’s theorie in jaren 80 van 19de eeuw snel aan hun aanhang won omdat (bepaalde) instituten/establishment in die tijd voornamelijk nieuwe wetenschappers bevoordeelde wanneer zij het wel in geloven. Ik vind dat hij op dat punt ook moet aantonen dat het waar is. Andere Bowler’s opmerking dat tegenstanders destijds niet goed hebben verenigd en daardoor de evolutie theorie niet goed hebben kunnen bestreden vind ik beetje vaag (flauw). Na 140 jaar zijn ze immers nog steeds niet in staat terwijl ze toch alle gelegenheid hebben gehad om Darwin’s theorie alsnog onderuit te kunnen halen.

Opdrachten bij thema IV: Darwinian Evolution: 8 januari 2004
History of Life Sciences 2003-2004

Mark Jochims
Daniel Cremers
Gregar van Bachove
Ron Berends

Opdracht:
Zowel Abir-Am, Yoxen als Kay zien de opkomst en de doorbraak en bloei van de moleculaire biologie niet als een natuurlijk, door de interne dynamiek van het biologisch onderzoek bepaald proces. Zij kennen een belangrijke rol toe aan externe factoren van institutionele, culturele, sociaal-politieke en/of economische aard. Geef een overzicht van de door hen gesignaleerde factoren en bespreek kort de rol die deze factoren in hun ogen speelden in bovengenoemd proces. Geef daarbij aan in welke opzichten hun visies overeenkomen, en in welke opzichten deze verschillen. Geef tevens aan welke verklaringen voor de opkomst en uiteindelijke dominantie van de moleculaire biologie je uiteindelijk het meest plausibel lijken en waarom.


Antwoord:

De factoren die door de drie auteurs naar voren worden gebracht en de verklaringen voor de opkomst en de uiteindelijke dominantie van de moleculaire biologie:

Abir-Am

De ontwikkeling van de moleculaire biologie kan worden onderscheiden in 3 fases.

Fase I: 1900-1937

In deze periode zijn er een aantal factoren die een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de biochemie. Een van de belangrijkste is de Eerste Wereldoorlog. Er was een grote vraag naar voedingsadviezen en de ontwikkeling van nutriënten in die tijd. Zowel voor de soldaten aan het front als de burgers. In die tijd was ondervoeding niet ongewoon en was de gezondheid van de soldaten van groot belang. Ook door de ontdekking van Vitaminen in die tijd, bloeide de biochemische en moleculaire kant van de biologie op.
Daarnaast waren vele belangrijke aanvoerroutes van belangrijke materialen geblokkeerd door deze oorlog en werden landen, zoals Groot Brittannië afhankelijk van de biochemie. Zo werd aceton geproduceerd wat een belangrijk ingrediënt is in de productie van munitie.

Na de oorlog speelde de biochemie een andere belangrijke rol. Rond de jaren ’30 werd de sociale stabiliteit bedreigd door “The great depression”, de daling van de Goud Standaard en vele protesten van werkelozen. Met behulp van de biochemie zou dit allemaal moeten worden opgelost.

Aan het einde van deze periode was er ook een grote drang naar onderzoek naar de structuur van eiwitten. Dit werd gezien als het “geheim van het leven”. Dit kon zich in die tijd nog niet helemaal doorzetten. Hiervoor was multi-disciplinair onderzoek nodig waar de biochemie zichzelf disciplinaire beperkingen had opgelegd.


Fase II: 1938-1973

In deze tijd heeft de moleculaire biologie zich sterk ontwikkeld. Zeker tijdens de bezettingen vlak voor de Tweede Wereldoorlog is de moleculaire biologie opgebloeid, zowel op het vlak van millitaire intelligentie als op het vlak van de gezondheid van de burgers. Door o.a. de polio-epidemie in de jaren ‘40/’50 werd er door particulieren, maar ook door de overheid veel onderzoek gedaan naar virussen, hetgeen een groot onderdeel werd in de moleculaire biologie.
Na de oorlog werd de zoektocht naar de structuur van eiwitten doorgezet. Mede dankzij X-ray diffraction, wat een steunpilaar werd in de moleculaire biologie, werd de structuur van eiwitten blootgelegd. De drang naar deze zoektocht ging hand in hand met de bouw van een nieuwe sociale gemeenschap, die als een utopie werd gezien.
Nadat de oorlog was beëindigd, mede dankzij de atoombom, verschoof het onderzoek meer naar meer vreedzame domeinen wat als zeer politiek correct werd gezien.
Ook bloeide de moleculaire biologie op door de lancering van de Spoetnik. Het was aangetoond dat multi-disciplinaire wetenschap niet langer taboe was. In deze tijd groeide het onderzoek naar DNA, RNA, en hun onderlinge relatie enorm.

Fase III: 1974-present

Het onderzoek naar DNA werd doorgezet en de ontdekking van recombinant-DNA zorgde voor een volgende shift naar biotechnologie. De oorlog tegen kanker, een goed klimaat om te investeren en het resultaat van verkiezingen in de VS en Groot-Brittanië zorgde voor een grote bloei in deze tak.
Zo was er grote interesse om te investeren in producten van de biotechnologie, zoals hormonen en insuline.

De start van het Human Genome Project is ook van grote waarde geweest op de ontwikkeling van de biotechnologie. Het registeren van alle menselijke genen en het sequencen daarvan had naast een wetenschappelijke, ook grote sociale en ethische gevolgen.


Edward Yoxen

Giving life a new meaning: the rise of the molecular biology establishment

In jaren 20 en 30 vorige eeuw was een periode waarin er expansie en institutionele veranderingen in (natuur)wetenschappen en geneeskunde plaats vonden (in industrialiseerde naties). In die tijd richtten industriëlen (vooral van olie en staal industrie) een soort liefdadigheid fonds op. Onder de leiding van John D. Rockefeller werd Rockefeller Foundation Trustees opgericht. Het fonds was een soort wetenschappelijke filantropie onder de controle van een groep “Trustees and Foundation officials“. Ze hadden als het doel om natuurwetenschappen te stimuleren. Zulke ontwikkelingen (en oprichting van een fonds) werden op gang gebracht dankzij de ideologie van progressieven. Ze gaven een financiële steun aan wetenschappelijk onderzoek en onder hun invloed vonden in wetenschappelijke instituten ook veranderingen plaats. Wetenschappers gingen meer volgens management principes volgen en daarvoor moesten ze zich reorganiseren en zich hervinden om hun plek zien te vinden.

Dezen fonds gaven Amerikaanse universiteiten steun door (niet geringe) financiële middelen. Rond 1929 kwam dit fond onder de leiding van Raymond Fosdick en werd 5 divisies gevormd. Hij stuurde toen het beleid bij en verplaatste van algemene steun aan een wetenschap en professioneel onderwijs naar meer geconcentreerde steun aan specifieke, gespecialiseerde en professioneel onderzoek. Vooraanstaande wetenschappers speelde een belangrijke rol door adviezen aan Rockefeller fonds te geven.

In 1931 werd Warren Weaver (hij was een natuur-wiskundige) de directeur van Natural Sciences Dvision (een van 5 divisies van Rockefeller fonds) en hij wilde een onderzoek programma veranderen in ’vital processes’ welk nu bekend staat als moleculair biologie. Bij zijn aanstelling was er een spanning tussen Trustees en Foundation Officials (Rockefeller fonds). Ook was er een interne spanning/discussie hoe het beleid gevoerd moest worden. Niet iedereen stond achter het idee van W.Weaver. Schrijver Yoxen denkt dat door de verandering van het beleid onder de leiding W.Weaver cruciaal was voor het ontstaan van moleculair biologie.

Ondanks een economische recessie in jaren 30 bleven de steun aan een wetenschappelijk onderzoek gehandhaafd uit een ideologische en humane reden.

Gaandeweg begon het beleid steeds meer vorm te krijgen naar het idee van W.Weaver. Namelijk het van de grond krijgen van gespecialiseerde biologische wetenschappen. Weaver is een voorstander van reductionistische (en gespecialiseerde) benadering van biologie. De schrijver denkt dat door de ontwikkeling en vooruitgang van genetisch onderzoek, vooral vanuit de hoek van Muller (en mindere mate T.Morgan met zijn fruitvlieg onderzoek) kwam. Tot nu toe benaderde biologie genetica op een andere niet op een reductionistische manier. Aangezien op dit vlak niet zo veel vooruitgang werd geboekt. Toen Muller zich ook met zulke kwestie ging bezig houden en zichzelf voor een onmogelijke opgave stellen o.a. verband met evolutie, mutatie en erfelijkheid. Begon hij zijn onderzoek/probleemstelling op een heel andere manier aan te pakken. Hij ging zijn biologische onderzoek juist ‘simpeler’ maken door ze meer op een moleculair niveau te benaderen. Toen had hij virologen, geneticus, scheikundigen en natuurkundigen nodig. Alleen met hun inzicht en vakkundigheid kon hij probleemstelling aanpakken. Hiermee boekte hij successen.

Meer onderzoekers gingen volgens Muller’s methoden hun probleemstelling te lijf en toen begonen discipline’s van natuurkunde, biologie, scheikunde etc elkaar sterk te overlappen. Zo ontstonden er moleculair biologie, structuurbiologie, biochemie, fysiologie, evolutionaire theorie, embryologie, etc met elk hun eigen gespecialiseerde vak/taak omschrijving. Door successen van deze benaderingen nam natuurwetenschappen een enorme toevlucht en gingen verschillende disciplines veel meer samenwerken dan voorheen.

Zulk ontwikkelingen kwam volgens de schrijver tot stand door Muller’s strategie, De Rockefeller programma en zijn directeur Weaver. Dit samen leidde dat natuurwetenschappen een erkend en gerespecteerd beroep werd.

Tijdens Tweede Wereld oorlog begon de overheid zich meer investeren in de geneeskunde en het biologische onderzoek (met het oog op militaire strategische behoeften). Aan het eind en na de tweede wereld oorlog bleven gunstige ontwikkelingen doorgaan. De giften van de overheid voor de instituten stegen sterk en er werden allerlei instituten opgericht met elk eigen belangen (voor zowel biologen, geneeskunde als andere wetenschappelijke instituten). Om zoveel mogelijke subsidie te krijgen begonnen elke instituten sterk lobyen bij Congres en Senaat. Om subsidie in goede banen te leiden hebben de overheid een instelling opgericht die subsidie verlening in goede banen moet leiden en werd bemand door wetenschappers met aanzien.

Volgens de schrijver is de enorme ontwikkeling van moleculair biologie in jaren 50 en 60, door o.a. ontdekking van DNA, te danken aan opzet: reductionisme, Weaver, Rockefeller fonds en toevallige en gunstige ontwikkeling o.a. door Muller aanpak. Met deze successen tot een genoom programma leidde.

Volgens de schrijver werden in de tweede helft van deze eeuw wetenschappers sterker gedreven door eerzucht waardoor biologie zich sterk bleef ontwikkelen. Ook zouden een goede organisatie binnen biologie erbij hebben gedragen tot gunstige ontwikkelingen.

De schrijver suggereerde dat de nieuwe biologie meer en meer aanzien won dankzij de nieuwe media, met name de TV. De media gingen allerlei programma’s over natuurwetenschappen uitzenden, waardoor er meer en meer interesse van mensen in biologie ontstond. Dankzij die interesse zouden biologische wetenschappers meer en meer aanzien hebben gekregen en de ontwikkelingen verder hebben gestimuleerd. Hierdoor bleef de overheid biologische wetenschap financieren tot de vandaag.

L. Kay, ‘Biopower: reflections on the rise of molecular biology’ in: G.E. Allen & R.M. MacLeod (eds.), Science, History and Social Activism (Kluwer: Dordrecht, 2001) p. 87 – 101

In het proces van de ontwikkeling naar biomoleculaire wetenschappen hebben verschillende factoren invloed uitgeoefend op de richting van het onderzoek. Een overzicht van dit proces vanaf ongeveer 1930 zal de verschillende factoren naar voren laten komen.
Onder invloed van de investeringen in de jaren ’30 die de Rockefeller Foundation deed in de wetenschap veranderde de biologie. De nieuwe denkwijze in de biologie zorgde ervoor dat uniformiteit belangrijker werd dan diversiteit. Experimenten werden gesimplificeerd en zorgden voor een reductionistische denkwijze. Tot de jaren ’50 werden oude traditionele biologische onderwerpen weggedrukt door de moleculaire biologie. Tot die tijd dacht men dat eiwitten de eenheid waren voor het leven. Dus om deze moleculaire visie op het leven te promoten werd er enorm geïnvesteerd in eiwitonderzoek. De investeringen in het onderzoek naar DNA werd geminimaliseerd. In de periode tussen 1930 en 1950 was de mening dat gedrag en intelligentie bepaald werden door een biologisch proces. Om controle te hebben op groepsgedrag moest dit biologisch proces worden begrepen. Aangezien eiwitten het leven bepaalde en die door moleculaire studies het beste bekeken konden worden, werd moleculair onderzoek belangrijk. Maar deze denkwijze veranderde snel door de ontdekking van Watson en Crick in 1953. Het onderzoek schoof weer terug naar de focus op het DNA. De geninformatie werd een centraal element in de DNA-gebaseerde moleculaire biologie.
Deze ontdekking gebeurde in de tijd van de Koude Oorlog. Wetenschap werd nu voor de helft gefinancierd door het leger. Het breken van de ‘code’ DNA was een hoofdsubject geworden van de wetenschap. Theoretici kwamen met verschillende ideeën die later weer verworpen werden. De interesse voor dit onderwerp was niet alleen een ontwikkeling binnen de moleculaire biologie, maar was vooral het gevolg van een culturele trend. Het kraken van codes was in de tijd van de Koude Oorlog een gewilde bezigheid, omdat men het belang van de informatie en gebruik daarvan erg hoog achtte. In 1961 werd de code gekraakt en over de hele wereld ontstond een enorme flow van geld en investeringen naar wetenschappers die zich bezig hielden met de DNA-code. Hierna kreeg men interesse in eiwitstructuren. Hierdoor immers werden de eigenschappen bepaald die door DNA en RNA gecodeerd werden. Alleen de primaire structuur wordt bepaald door DNA. Protein engineering komt op en probeert de formatie en dynamiek te begrijpen. Na de jaren zeventig zorgde de introductie van de recombinante DNA-technieken voor nieuwe gepatenteerde producten. Moleculaire biologen worden commerciële ondernemingen. Deze verandering bepaald dus de richting van het onderzoek die deze wetenschappers zullen doen.
Zoals blijkt uit de ontwikkeling van de moleculaire biologie, zijn er verschillende factoren die invloed uitoefenen op deze ontwikkeling. De richting van het onderzoek in de biologie in de jaren tussen 1930 en 1950 werd vooral bepaald door institutionele factoren. De Rockefeller Foundation was een groot instituut die veel investeert in bepaalde onderzoeken. Door deze investeringen veranderde de biologie naar een reductionistische denkwijze. Later was het leger het instituut dat veel investeerde in de wetenschap.
Later in de Koude Oorlog waren het vooral de culturele aspecten die invloed uitoefende op de ontwikkeling van de moleculaire biologie. Het woord ‘code’ werd bijna magisch en veel wetenschappers raakten geobsedeerd door het kraken van de DNA-code. Juist in die tijd achtte men het belang groot van gebroken codes. Deze ontwikkeling is onlosmakelijk verbonden met de spionage-intriges uit de Koude Oorlog en de rol van codes daarin.
Na de Koude Oorlog waren het vooral de economische factoren die bepalend waren voor de richting van het onderzoek. Moleculaire technieken waren te gebruiken te verbetering van winsten of werden zelfs producten. De economische successen werden dan ook toonaangevend in de wetenschappelijk wereld en zorgde voor gestuurde richting van de wet

De verschillen en overeenkomsten tussen de meningen van de drie auteurs

Abir-Am’s idee over de factoren die een rol speelden bij de opkomst van de moleculaire biologie komen het meest overeen met die van Kay. Allebei denken ze dat de twee Wereldoorlogen en de Koude oorlog een enorme impact hebben gehad. Namelijk door de richting waarin de wetenschap ging (mosterdgas en munitie in de Eerste Wereldoorlog, de atoombom in de Tweede Wereldoorlog en de opkomst van de informatie technologieën door de spionage praktijken uit de Koude oorlog). Yoxen daarentegen beweert dat het meer sociaal-politieke invloeden waren van bijvoorbeeld de Rockefeller Foundation en de nieuwe media die de enorme opbloei tewerk hadden gesteld. Rockefeller Foundation wordt door alledrie de auteurs naar voren geschoven als een belangrijke factor, maar Yoxen benadrukt de invloed van het managen van onderzoek. Een reductionistische aanpak zou hierbij meer kansen op financiering bieden. Als Yoxen de Tweede Wereldoorlog noemt als een externe factor, dan is de moleculaire biologie juist het middel en niet het gevolg van de militaire ontwikkelingen.
De verschillen in mening tussen Abir-Am en Kay zijn dat Kay beweert dat na de Koude oorlog economische factoren de overhand kregen door het ontstaan van commerciële biotechnologie bedrijven, terwijl Abir-Am in zijn hele artikel vooral naar voren brengt dat de wereld continu in oorlog is (ook in het heden in de ‘oorlog’ tegen kanker) en dat die oorlog het ideale klimaat vormt voor de moleculaire biologie.

Opdrachten bij thema V: eugenetica en sociobiologie: 8 januari 2004
History of Life Sciences 2003-2004


Mark Jochims
Daniel Cremers
Gregar van Bachove
Ron Berends


Vraag:
Zowel Paul als Kevles leggen (impliciet of expliciet) een verband tussen de nu algemeen als verwerpelijk beschouwende eugenetische praktijken uit de eerste decennia van de 20ste eeuw en hedendaagse en toekomstige mogelijkheden, geopend door nieuwe wetenschappelijke doorbraken. De door sommigen aangehangen positie dat beide gevallen van geheel andere aard zijn, lijkt verdedigbaar. Welke argumenten ondersteunen die positie? Anderzijds is er ook wel wat voor te zeggen om beide ontwikkelingen in elkaars verlengde te plaatsen. Welke argumenten pleiten voor deze visie en wat zou, zo gezien, de vroege geschiedenis van de eugenetica ons kunnen leren?


Antwoorden:

* D.J. Kevles, ‘From eugenics to genetic manipulation’, in J. Krige & D. Pestre (eds.) Science in the Twentieth Century (Harwood Academic Publishers: Amsterdam, 1997), p. 301-318

Het artikel van Kevles is vooral een beschouwend artikel over de ontwikkeling vanaf eugenetica tot genetische manipulatie.
Kevles geeft in het artikel geen verschil tussen de eugenetica van vroeger en de medische genetica van het heden. Zijn stelling is dat er een direct verband tussen de twee stromingen bestaat. Het eindresultaat is namelijk precies hetzelfde. Hij zegt echter wel dat de medische genetici willen voorkomen dat ze als eugenetica aanhangers worden gezien en dit doen ze door een nauwe definitie van eugenetica te gebruiken: bij eugenetica is er een sterke sociale controle in de beperking van de reproductieve vrijheid. Zij beweren dat de medische genetica geen druk uitoefent op de mensen. Dit wordt echter door Kevles weerlegd, omdat er bij genetische adviezen wel degelijk een druk staat op de ouders om hun kind niet ter wereld te brengen als het iets zou mankeren.

Het verband dat Kevles schetst tussen de eugenetica van vroeger en de medische genetica van nu is dat bijvoorbeeld de prenatale consulten van deze tijd hetzelfde effect hebben op de geboorte van mensen met bepaalde afwijkingen als de eugenetica praktijken van vroeger. Er bestaat een bepaalde druk op de ouders om de beslissing te nemen om het kind te aborteren. De ouders zouden namelijk bijvoorbeeld de financiële druk niet aankunnen, zelf een slechtere gezondheid krijgen door extra veel energie in het kind te steken of dat ze geen sociale omstandigheden hebben om het kind in leven te houden. Een ander voorbeeld dat hij geeft is de geboortebeperking. Dit heeft namelijk ook hetzelfde doel.
Er bestaat volgens Kevles een enorme druk vanuit de medici en de medische industrie (productie van genetische tests) op de politiek om de eugenetische gedachte in een andere verpakking voort te zetten.

Wat we hebben kunnen leren uit de vroege geschiedenis van de eugenetica is dat de gedachte om het menselijke ras te zuiveren een populaire gedachte is die zowel door leiders, wetenschappers en gewone mensen graag aangehaald wordt. In het verleden en in het heden heeft de eugenetica de levens van mensen verwoest. Hieruit kan duidelijk gemaakt worden dat de eugenetica de mens veel kwaads kan aanrichten. Zonder variatie in de menselijke soort was het nooit mogelijk geweest om op ons hedendaagse niveau te komen.


D.B. Paul, ‘What is eugenics? Why does it matter?’ in: Controlling Hunan Heredity; 1865 to the present.

In de eerste decennia van de 20ste eeuw werd de eugenetica voornamelijk gedreven op de ‘angst’ dat de mensheid (of beter gezegd: een maatschappij) zou achteruit gaan door afwezigheid van een natuurlijke selectie. Men veronderstelde dat zwakkeren, dieven, alcoholisten en andere lagere klassen in de samenleving makkelijker in stand werden gehouden door bijvoorbeeld weldadigheidfondsen en armenhuizen. Men veronderstelde dat in de natuur zulke ‘ zwakkeren’ gewoon zullen sterven en zich daardoor niet zullen voortplanten. Aangezien men in hogere klassen vreesde dat men in lagere klassen zich veel sneller zou voortplanten dan zij, waren zij bang dat ‘inferieuren’ hen in aantal op den duur te veel zouden overtreffen en daardoor zou het volk er als geheel op achteruit gaan. Inferieuren geven immers massaal hun erfelijke eigenschappen door aan de volgende generatie. Dat was een van de oorzaken dat de eugenetica erg populair en het middel werd om hun eigen bevolking (de ‘blanke’ bevolking in het Westen, maar ook in niet Westerse landen bijv. Japan kwam eugenetica voor) als ras te verbeteren. Eugenetica praktijken werden veelal als maatschappelijk ‘dwang’ toegepast door middel van castraties van verstandelijk gehandicapten en (sommige) misdadigers. Mensen in die tijd die zulk opvattingen hadden, waren vaak racistisch en conservatief.

In onze tijd is eugenetica weer sterk in opkomst. Nu wordt eugenetica onder andere ‘naam’ toegepast vanwege de negatieve bijklank uit het verleden o.a. het derde rijk. ‘Eugenetica’ wordt nu vooral toegepast op zwangere vrouwen. Bij zwangere vrouwen kunnen embryo’s worden getest op erfelijke ziekten (dat kon men in vroege 20ste eeuw nog niet!). Bij een slechte prognose kunnen vrouwen of echtparen zelf bepalen of ze het kind wel of niet geboren laten worden. Hierin is er verschil tussen nu en vroeger. Vroeger werd eugenetica vooral onder dwang toegepast ter bevordering van superioriteit van de mensheid. Nu wordt het vanuit het oogpunt van individuele rechten benaderd en individuen mogen zelf beslissen of ze wel of geen lasten van een gehandicapt kind willen dragen.

Toch zijn er grote overeenkomsten tussen nu en eerste decennia van de 20ste eeuw. In beide gevallen wordt geprobeerd om te voorkomen dat er (geestelijk) gehandicapten worden geboren of handicaps aan de volgende generatie worden overgebracht. Ook nu worden sommige vormen van eugenetica toegepast, een goed voorbeeld is een spermabank met Nobelprijswinnaars en klanten krijgen allerlei persoonlijke details over de zaaddonor zodat klanten een ‘perfecte’ intelligente baby op ‘bestelling’ kunnen krijgen.
Ander voorbeeld is dat er nog steeds niks is veranderd: mongolen en sommige gehandicapten kunnen best heel goed in staat zijn om een goed, gezond en gelukkig leven te leiden. Toch willen sommigen geen gehandicapt kind hebben en ze laten dan hun embryo preventief verwijderen. Zulk praktijken worden niet aan banden gelegd. Echter, zodra ouders hun embryo bijvoorbeeld op geslacht willen laten testen omdat ze een bepaalde voorkeur hebben dan mag het ineens niet. Volgens cynici is dit het bewijs dat het niets met normen en waarden te maken heeft maar met onkosten en lasten. Of het nou een meisje of jongen wordt, het kost en belast evenveel, en dat is het niet geval bij een gehandicapt kind. Dat kwam ook al in het begin van vorige eeuw voor, toen voerde men ook argumenten aan dat het te duur en belastend is om al die gehandicapten in leven te houden en voor hen te zorgen.

Wat kan de geschiedenis ons leren?
We hebben kunnen constateren dat het enorm uit de hand kan lopen, het derde rijk is er een goed voorbeeld van. In het verleden hebben we anderen het recht ontnomen om zelf te beslissen in hun doen en laten en nu hebben mensen over vele zaken het recht om zelf een beslissing te nemen.
De argumenten zullen nu wel beter moeten worden onderbouwd en dat is vroeger niet altijd het geval geweest. Nu weten we bijvoorbeeld dat verpaupering en armoede niet door erfelijkheid zijn bepaald en dat toen in de hogere kringen veel meer hoogopgeleiden voorkwamen is niet omdat ze superieur waren. Ook nu kunnen we fouten maken (of het mis hebben) en kunnen bij de uitkomsten daarvan over vijftig of honderd jaar vraagtekens worden gezet. Het is de realiteit dat we niet even duidelijke grenzen kunnen trekken.


Vraag:
De moderne sociobiologie geldt als een nieuwe uitdagende visie die in aanleg een volledige Darwiniaanse of genetische onderbouwing kan leveren van sociale wetenschappen als de sociobiologie, de psychologie, en de antropologie. Niet iedereen is gediend van deze ‘biologiesering’ van de menswetenschappen. De auteurs van de hier opgenomen tekst, zelf overigens vooraanstaande biologen, moeten er weinig van hebben. Wat zijn hun voornaamste bezwaren? Vind je hun stelling dat de sociobiologie zich niet wezenlijk onderscheidt van het ideologische sociaaldarwinisme van honderd jaar geleden gerechtvaardigd?

Antwoord:
De sociobiologie gebruikt een aantal argumenten om haar theorieën te ondersteunen.
Ten eerste stellen de sociobiologen dat menselijk sociaal gedrag gecodeerd is in de genen. Hier wordt bezwaar tegen gemaakt omdat er nog nooit bewijs is gevonden dat een bepaald soort gedrag van de mens gerelateerd is aan een gen of een combinatie van genen. Het is een pure speculatieve stelling. Zo stellen sociobiologen ook dat het fenotype puur te wijten is aan het genotype, echter het fenotype wordt bepaald door de interactie van genen en de omgeving tijdens de ontwikkeling.

Vervolgens biedt de sociobiologie zwakke argumenten voor het bestaan van een genetische controle van sociale structuren. Deze relatie proberen ze te beargumenteren door verbanden te leggen met andere primaten. Ze geloven als die primaten vergelijkbare gedragsvormen, als de mens, vertonen dat deze gedragsvorm wel genetisch bepaald moet zijn. Dit is niet erg waarschijnlijk volgende de schrijver omdat de mens geen levende, dicht bij de mens staande, voorouders heeft. Geen andere soort is geclassificeerd in hetzelfde genus, familie of subfamilie dan de mens.

Ook wordt de stelling, dat menselijk karaktertrekken erfelijk zijn, aangevochten. Ten eerste met het argument dat er simpelweg geen adequate studies zijn gedaan naar de erfelijkheid van de karaktertrekken van de mens. Alle mensen zouden homogene genen hebben voor het gedrag. Als zit zo is, kunnen genen die een bepaald gedrag zouden veroorzaken, nooit kunnen worden gevonden door middel van erfelijkheidstudies.

Ten slotte worden de zogenaamde “adaptive stories” aangevallen. Een voorbeeld hiervan is dat homoseksuelen minder nageslacht zouden voortbrengen, dan niet-homoseksuelen en dat deze eigenschap vanzelf zou verdwijnen. De sociobiologie legt het nog steeds bestaan van homoseksuelen uit door middel van altruïstisch gedrag. De homoseksuelen helpen hun naaste familieleden te “overleven” en nageslacht te produceren zodat hun niet kunnen doorgeven van hun genen wordt gecompenseerd met dat van het nageslacht van hun naasten. Deze theorie klopt niet op een aantal punten. Ten eerste kan er nooit met alle zekerheid worden gezegd dat homoseksuelen minder nageslacht zouden hebben dan de niet-homoseksuelen. Ten tweede, er is geen bewijs dat homoseksualiteit een genetische oorsprong heeft. Ten derde is er ook geen bewijs dat homoseksuelen bijdrage aan een stijging van het nageslacht van hun broers en zussen.

Sociobiologen proberen de hele evolutie te verklaren aan de hand van het gedrag van de mens veroorzaakt door genen. Ook hier tegen wordt bezwaar gemaakt. Zo zijn er altijd verschillende mogelijkheden hoe een karakter zich ontwikkelt omdat dat beïnvloed wordt door verschillende genen. Verandering in een karakter is het gevolg van meerdere fenotypische effecten van genen en dat fenotype is niet afhankelijk van het genotype en de omgeving alleen, maar ook van de willekeurige processen op een moleculair en cellulair niveau.

Ik vind de stelling dat de sociobiologie zich niet wezenlijk onderscheidt van het ideologische sociaaldarwinisme van honderd jaar geleden gerechtvaardigd, omdat de sociobiologie zich totaal vasthoudt aan de “survival of the fittest” van genen, individuen of groepen. Er wordt te simplistisch geredeneerd en niet verder nagedacht over andere factoren die ook wel eens invloed zouden hebben op de evolutie en het gedrag van de mens.