Opkomst en commercialisering van biotechnologie, met name genetische modificatie, in de 20ste eeuw

Daniel Cremers, Gregor van Bochove, Mark Jochims, Ron Berends
Vrije Universiteit, 2004

Inhoudsopgave:


Inleiding
Korte voorgeschiedenis
De grote doorbraak en verdere ontwikkelingen
Industrie
Tegenstanders
Patentwetgeving
Patent op het leven & biotechnologie
Commercialisering gentechnologie
Nadelen van de commercialisering van de genetica
Conclusie
Literatuur


Inleiding
Het woord biotechnologie valt voor het eerst in 1919, de huidige betekenis van het woord is: de toepassing van wetenschappelijke en technische principes bij het verwerken van grondstoffen door biologische agentia tot eindproducten en diensten (1). Biotechnologie bestaat eigenlijk al enkele eeuwen. Het werd in het begin toegepast bij de productie van brood en bier door het gebruik van gist. De genetische modificatie, het veranderen van de genetische samenstelling van levende cellen, waarmee de biotechnologie vaak in verband mee wordt gebracht, is ontstaan in het midden van de 20ste eeuw. De kennis die hiervoor nodig was werd in de tientallen jaren daarvoor vergaard.
In dit artikel zullen: de rol van de wetenschappelijke ontdekkingen op het gebied van genetische modificatie in commerciële bedrijven, de rol van de industrieën in de ontwikkeling van biotechnologie, de invloed van patenten op de commercialisering en de nadelen van commercialisering in de biotechnologie worden toegelicht.

Korte voorgeschiedenis
Reeds voor 1900 werd er druk gespeculeerd over mutaties en overerfelijkheid van eigenschappen. In maart 1900 werden de tot die tijd onbekend gebleven uitkomsten van de experimenten van Mendel herontdekt door een drietal onderzoekers: Hugo de Vries, Carl Correns en E.van Tschermak. Deze herontdekking leidde tot een explosieve ontplooiing van het experimentele erfelijkheidsonderzoek. Kort daarop, op 31 juli 1906 werd voor het eerst in de openingsrede voor het Derde Internationale Congres over bastaardering en plantenveredeling, door de voorzitter, William Bateson, de erfelijkheidsleer met de internationale term genetica aangeduid. Bateson was direct na de herontdekking van de conclusie van Mendel overtuigd geworden, dat hier een wetenschappelijk hoogst belangrijk beginsel was vastgelegd en hij heeft zich in de volgende jaren ingezet voor de opbouw van de genetica als een afzonderlijke wetenschap. (7) Het inzicht dat de genetica een belangrijke functie zou gaan vervullen in de wetenschap, maar ook in de economie en politiek, zou later wel blijken.
Aan het begin van de 20ste eeuw was er een grote behoefte aan een beter werkende landbouw. Als de productie niet enorm opgekrikt werd binnen korte tijd, dan was het niet mogelijk om de bevolking van eten te voorzien. Daarom was het noodzakelijk om te investeren in nieuwe technieken die de landbouw effectiever lieten draaien. In 1919 werd door Karl Ereky (een landbouwingenieur uit Hongarije) voor het eerst het woord biotechnologie gebruikt.. Hij was van plan om de landbouwexport van zijn land te vergroten door de effectiviteit te verbeteren. Dit deed hij door enorme boerderijen op te zetten waar 100.000 varkens per jaar werden gefokt. Hij zag varkens als een soort van machines waar je voedsel in stopte en die dan vlees produceerden. Zijn idee van biotechnologie was het verwerken van ruwe producten door biologische processen tot bruikbare producten. (1). Zijn ideeën zouden op de manier waarop hij ze naar voren bracht tegenwoordig niet zo hartelijk zijn ontvangen (door onder andere de belangrijke lobby van milieugroeperingen), maar toentertijd was het veel belangrijker de landbouwproductie op te voeren dan stil te staan bij de leefomstandigheden van dieren. Het idee van efficiënter produceren had zijn weerklank in diverse landen.

1941 was het jaar dat de woorden: “genetische modificatie“ voor het eerst werden gebruikt. De Deense microbioloog A. Jost gebruikte het woord in een lezing over de seksuele reproductie van gist. Het woord had toen nog niet zo een grote betekenis, maar het zorgde wel voor meer interesse in de richting van de reproductie en de daarmee samenhangende erfelijkheid.
Een belangrijke stap in de richting van de huidige genetische modificatie was de ommezwaai van het onderzoek in de richting van eiwitten, naar DNA. In 1944 toonden Oswald Avery, Colin Macleod en Maclyn McCarty aan dat DNA en niet eiwitten verantwoordelijk is voor overerving. Dit deden ze door hun experimenten met pneumococcen. Ze plaatsten de bacteriën in een medium en zagen dat er transformatie optrad doordat de cellen DNA overbrachten.. Nu de aandacht eindelijk meer naar DNA ging was het nog van belang om de functie ervan beter te begrijpen. De structuur van het DNA was nog niet bekend en het was niet interessant voor de meeste onderzoekers, ondanks dat haar rol in de overerving onlangs was vastgesteld. De wetenschappers hadden een ruimtelijk model – een visualisatie en een verklaring van de functie nodig om verder te gaan.
Het jaar 1953 bracht in deze richting een enorme doorbraak met zich mee. Francis Harry Compton Crick and James Deway Watson publiceerden een artikel in Nature waarin zij het model van een dubbele helix voorstelden voor het reeds bekende deoxyribose nucleic acid (DNA). In het artikel schrijven zij dat de basenparen aan de binnenkant van de helix zitten en de fosfaatgroepen aan de buitenkant. De ketens worden door purine en pyrimidine basen aan elkaar gehouden. Deze basen zijn: adenine, thymine, guenine en cytosine.(2). Ze beweren ook dat de volgorde van de basenparen betrokken is bij het kopiëren van genetisch materiaal. De publicatie had directe gevolgen voor het voortbestaan van de moleculaire biologie en de biotechnologie, omdat nu een waarschijnlijke verklaring was geboden voor de al lang bestaande theorieën over mutaties.(1)

Arthur Kornberg was in 1960 de eerste wetenschapper die, door gebruik te maken van base paring, erin slaagde hybride DNA te vormen. In datzelfde jaar wordt ook het RNA ontdekt. Het RNA opende nieuwe onderzoeksvelden waar Paul Berg gebruik van maakte.
Berg was de grondlegger van het overbrengen van genetische informatie van het ene organisme naar het andere. Het onderzoek van Berg was gericht op genetische mutaties en voornamelijk de rol die bepaalde transfer-RNA’s, daarbij speelden. Berg besloot om samen met R. Symsons hybriden te maken van DNA van twee verschillende bacteriën. Zijn eerste poging daartoe was in 1972. Echter een jaar later lukte het Stanley Cohen, Annie Chang en Herbert Helling eerder om DNA van verschillende oorsprong aan elkaar te zetten. Dit samengestelde DNA noemden zij een chimaera.. (3)

De grote doorbraak en verdere ontwikkelingen
Cohen en Boyer maakten een samengesteld plasmide van twee verschillende bacteriën en plaatsten het in zijn geheel in een E. coli bacterie. Het nieuwe plasmide deelde, waardoor in een korte tijd een heleboel replica’s van het oorspronkelijke plasmide werden gemaakt. Het rapport over hun experiment brachten ze in november 1973 in: “Proceedings of the National Academy of Sciences”. Door dit onderzoek werd duidelijk dat micro-organismen gebruikt konden worden voor de productie van bepaalde eiwitten.
Boyer wist zijn onderzoeksuitkomst te verzilveren door een lening van 500 dollar te nemen en samen met Swanson een nieuw biotechbedrijf op te richten: Genentech (1974). Natuurlijk was die 500 dollar niet genoeg. Daarom gingen ze op zoek naar meer starterkapitaal. In 1977 kregen ze het voor elkaar: 1 miljoen dollar via fondsen verkregen voor hun onderzoek. In 1977 was het kleine bedrijf in staat somatostatine te produceren door het gen ervoor in een bacterie te implanteren. Dit was een enorm succes, omdat dit de eerste keer was dat een menselijk eiwit door een bacterie werd gevormd. Dit was niet het laatste succes, want na een extra miljoen aan inleg te hebben ontvangen ging het bedrijf verder met het ontwikkelen van insuline. In 1978 kregen ze het voor elkaar.
Genentech was niet het enige bedrijf dat gebruik makend van de nieuwe techniek de markt wou veroveren. Walter Gilbert waarmee Swanson en Boyer in de race zaten in de productie van insuline (die door Genentech was gewonnen), richtte Biogen op in 1978. Zijn doel was de productie van verschillende vormen van interferron. Ook andere bedrijven kwamen op: Genex (1977), Centocor (1979), Amgen en Chiron. Deze bedrijven waren geïnteresseerd in de productie van hormonen om groeistoornissen te behandelen, maar ook het produceren van bloed stollingsfactor IX, tumor necrosis factor en erythropoeitine.

In Japan werd onder leiding van Akiyoshi Wada een nieuwe richting ingeslagen met behulp van enkele grote bedrijven: Seiko, Fuji Photo, Tokyo Soda, Hitachi en Mitsui Knowledge Industries. In het eerste deel van het project, dat tot 1984 liep, ontwikkelde Seiko een microchemische robot en Fuji Photo een gestandaardiseerd gel elektroforesesysteem. De vorderingen gingen door en er ontstond in Japan een debat over het starten van een Japans Humaan Genoom Project (1985). Een internationaal samenwerkingsverband hiervoor bleek echter niet haalbaar. De ontwikkelingen op technisch niveau gingen wel door en in 1991 wist men in Japan een sequencingsnelheid van 108,000 basenparen per dag te halen. (1) Japan werd als een belangrijke rivaal gezien door de Verenigde Staten in het ontrafelen van het humaan genoom. De oorspronkelijke gedachte dat het project toenadering zou brengen tussen de VS en Japan had een averechts effect.

Een enorm probleem voor de commerciële tak van de biotechnologie was dat geen enkel bedrijf het voor elkaar kon krijgen om zijn uitvindingen te patenteren. Het enige waar ze een patent op konden krijgen waren installaties die in de laboratoria nodig waren. Het probleem met de patenten zat in de wetgeving die het verbood om een patent te vragen op een levend organisme of een deel daarvan. Gelukkig kwam daar voor de commercie in 1980 een einde aan, toen een rechtbank van de VS toestond een patent te verlenen op genetisch gemodificeerde organismen. Vanaf die tijd kwam er dan ook een regen van nieuwe biotechnologie bedrijven, waarvan het in 1981 opgerichte The North Carolina Biotechnology Center er een was. Het bedrijf werd deels door de overheid gesponsord: een praktijk die door 35 andere staten werd opgevolgd.
In 1982 publiceerden R. Brinster en R. Palmiter een spectaculair resultaat. Ze waren er in geslaagd om het gen voor het groeihormoon van een rat in een muizeneicel te introduceren wat muizen opleverde die twee keer zo zwaar waren. Kort daarvoor waren ze er al in geslaagd om het gen van het enzym thimidine uit een herpesvirus in een muis tot expressie te brengen. Het probleem dat aan de techniek kleefde was dat het gen in de loop van de muizengeneraties veranderde. Het was dus niet mogelijk om het genproduct van al die generaties te gebruiken. Het gen was te onstabiel.(3)
In hetzelfde jaar komt het eerste recombinant-DNA-vaccin op de markt. Het is een diergeneeskundig vaccin tegen diarree bij varkens. Het vaccin werd gelijktijdig door AKZO (Nederland) en Cetus (VS) op de markt gebracht. Hiermee werd de deur geopend voor de ontwikkeling van nieuwe vaccins tegen verschillende menselijke ziektes. (3)
Het jaar daarop (1983) werd voor het eerst een synthetisch chromosoom gemaakt, daarnaast werd voor het eerst een plantencel genetisch getransformeerd met een TI plasmide en ontstonden de eerste genetische markers voor erfelijke ziektes. (4) Door het laatst genoemde werd prenatale diagnostiek eenvoudiger gemaakt en konden ouders beter worden gewaarschuwd tegen de risico’s die ze liepen op het krijgen van kinderen met een erfelijke afwijking.

Cetus ontwikkelde in 1984 een nieuwe manier om delen van DNA te vermenigvuldigen: poly chain reaction (PCR). Deze techniek maakte gebruik van verhitting en enzymen om een enorm groot aantal kopieën te maken van genen en genfragmenten. Dit was een enorme stap voor de biotechnologie, omdat men nu op een relatief simpele manier grote hoeveelheden van een geïsoleerd DNA fragment kon maken.(6) (4)

In 1986 werden voor het eerst buiten de muren van de laboratoria planten verbouwd die genetisch gemodificeerd waren (België). Het ging hier om een testveld van genetisch gemodificeerde tabaksplanten. Later kwam echter een grote stroom van protest op gang, toen het debat over genetisch gemodificeerde planten de media bereikte.

Een andere belangrijke datum in de geschiedenis van de biotechnologie en de geneeskunde is 1990. Dit was namelijk het jaar waarin voor het eerst een gentherapie mocht worden uitgevoerd. De eerste patiënt die deze behandeling onderging was een 4 jarig meisje dat leed aan een immuunziekte (ze miste haar adenosine deaminase). Deze behandeling werd uitgevoerd door de Amerikaanse dokter Anderson en de jonge patiënte heeft er haar leven aan te danken gehad.

Het tegenwoordig zeer verhitte debat over stamcellen en het gebruik van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek dateert van 1998. Voor het eerst kwamen er stemmen op om embryonale stamcellen te gebruiken voor het herstel van beschadigd weefsel en om het beloop van ziektes beter te begrijpen. Om dit efficiënt te kunnen doen was er wat meer kennis nodig van het menselijke genoom. Van sommige “primitieve” organismen was de opbouw al bekend. Daarom was men extra hard bezig om het DNA gesequenst te krijgen. In 2000 wierp het human genome project eindelijk een ruw beeld van het menselijk genoom. Deze ruwe weergave werd door Celera Genomics in samenwerking met het human genome project uitgebracht. Hieruit werd later geconcludeerd dat een groot deel van ons DNA uit junk-DNA bestond, een verbijsterende conclusie voor veel wetenschappers.

Het verbeteren van de wereld (de gedachte die al sinds het begin van de 20ste eeuw in de hoofden van de wetenschappers bleef zweven, vond in 2000 ook een weergave in het ontwikkelen van "Golden Rice". Dit was genetisch gemodificeerde rijst die vitamine A produceerde. Dit was een vitamine dat hard nodig was voor de mensen uit de derde wereld landen. Veel mensen werden daar namelijk ziek doordat ze rijst aten waar geen vitamine A in zat en zij konden het verder ook op geen andere manier binnen krijgen. Er bestond aan het eind van de 20ste eeuw echter al een enorme weerstand tegen alles waar “gemanipuleerd” of “gemodificeerd” voor stond en dit deed het ambitieus ogende project stroever verlopen.

Industrie

In het begin van de jaren tachtig leek de biotechnologie het meest op een “echte”industrie die ervoor zorgde dat grote handelsorganisaties zich ontwikkelden, zoals de Industrial Biotechnology Association en Association of Biotechnology.
Toch had de biotechnologie een lagere prioriteit in een tijd van hoge olieprijzen. “Single-cell protein foods” verloor de aandacht van de industrie toen duidelijk werd dat het moeilijk bleek te zijn er een markt voor te vinden. Zelfs de industriële productie van enzymen die erg belangrijk was in de jaren zestig, had “maar” een totale marktwaarde van $500 miljoen. Toch bloeide de markt weer op, niet zozeer door onder invloed van de industrie, maar meer door de wetenschap zelf.

Recombinant DNA technieken vormden nieuwe mogelijkheden om eiwitten en complete organismen te gebruiken voor het bestrijden van ziektes. Rond 1980 werden er ook voorspellingen gedaan. In 2000 zou de biotechnologie een marktwaarde hebben van $33,5 miljard. Te samen met deze euforie nam ook het ongeloof toe. Toch won de euforie het en nam de biotechnologie, niet zozeer door de actuele prestaties maar vooral door de hoge verwachtingen een belangrijke plaats in naast de andere technologieën.

De farmacie was het eerste gebied waarin de biotechnologie voor veel winst zorgde. De drug Zantac, gebruikt om maagzweren te behandelen, zorgde voor grote omzetten en daardoor werd de producent, Glaxo, één van de grootste bedrijven op aarde. Ook AIDS zorgde voor een grote impuls. Er was grote druk om een geneesmiddel te ontwikkelen. Dit opende een markt voor commercieel onderzoek naar een succesvolle therapie maar ook voor diagnostische tests gebaseerd op monoclonale antilichamen.

In de jaren negentig stond er een nieuwe generatie op die toegespitst was op het ontwikkelen van eiwitten die werden gemaakt door genetische modificatie. Voor die tijd werd er gebruik gemaakt van chemische analogen en waren er 5 toegestaan als genezingsmiddel door de FDA. Hiertoe behoorden insuline en interferon. Door de ontwikkeling van PCR (Polymerase Chain Reaction), was kloneren niet meer noodzakelijk om genetische fragmenten te produceren. Toch bleef het nog als een alternatieve methode bestaan.

De jaren tachtig waren de start van een periode waarin vele bedrijven werden opgestart die iets te maken hadden met biotechnologie. De wetenschappelijke technieken voor genetische modificatie waren geïntegreerd in complexe ontwikkeling, productie en marketing processen.
In die tijd volgden er ook grote fusies. De intergratie met de farmaceutische industrie werd geïllustreerd door strategische samenwerkingsverbanden tussen kleinere Amerikaanse en grotere farmaceutische bedrijven. Een voorbeeld hiervan is de overname van Genentech, één van de grootste nieuwe biotechnologie bedrijven, door een Zwitsers farmaceutisch bedrijf, Hoffman-La Roche. Ook Cetus, een nieuw biotechnologisch bedrijf fuseerde met zijn concurrent Chiron. (18)
Tegenstanders

Ondertussen, ontstond er een opiniekloof tussen de bevolking over de nieuwe ontwikkelingen. Eest werd de biotechnologie nog gezien als een op zichzelf staande technologie, maar dit denkbeeld veranderde snel en biotechnologie werd gezien als een bedreiging die snel tot onvoorspelbare, ethische en ecologische rampen kon leiden. Zo werd de biotechnologie aan de ene kant gezien als een “core technology”, een specifiek middel dat werd gebruikt door elke deelnemer in de internationale economische competitie. Aan de andere kant stond de biotechnologie nog steeds voor een vage samenstelling van leven en industrie. (18)
Patentwetgeving

Het patent (octrooi) is een uitsluitend door de overheid verleend recht voor het maken en verkopen van een artikel of voor het exploiteren van een uitvinding (van Dale). Voor de toekenning van een patent moet er aantal voorwaarden aan worden voldaan.
Een vinding moet innovatief zijn en mag niet op een eerdere vinding berusten. Reeds openbaar gemaakte vinding, zonder een patentaanvraag (binnen de wettelijke termijn) wordt definitief als een openbaar eigendom beschouwd.(11, 12, 13)
Een vinding mag geen ontdekking van een reeds bestaand product in de natuur zijn. Toch wordt hier niet al te letterlijk genomen. Om een stof of materiaal uit de natuur te kunnen octrooieren moet men kunnen aantonen dat er allerlei technische procedures (en experimenten) aan te pas moeten komen om de stof te kunnen isoleren, zuiveren en om de functie ervan aan te kunnen tonen. (11, 12, 13) In Europa en Amerika worden bijvoorbeeld voor chemische bindingen octrooien verleend. Zo worden genen ook als een chemische verbindingen gezien en daarvoor worden octrooien verleend. (12)
Ten slotte: om een patent toegekend te krijgen is het verplicht om een nauwkeurige omschrijving van de productie gegevens via bijvoorbeeld een artikel voor de derden openbaar te maken. Deskundigen moeten in staat worden gesteld om het experiment of de procedure te kunnen herhalen. (11, 12, 13)

Wanneer een octrooi aan een vinding wordt toegekend hebben de houders van een octrooi het alleenrecht (monopolie) om hun vinding of artikel 20 jaar (afhankelijk van het soort wetgeving of de aanvraag) te exploiteren of te verkopen. (12) Dat geeft investeerders en/of uitvinders de gelegenheid om hun investering (terug) te verdienen.
Patent op het leven & biotechnologie

Het is zestien juni 1980, “The Supreme Court” in de zaak 447 U.S. 303, Diamond vs. Chakbrabarty, deed een definitieve uitspraak. Het hoge gerechthof besliste de zaak definitief met de uitspraak dat een genetisch veranderde micro-organisme mocht worden gepatenteerd met het argument dat het patentbureau Diamond geen patent mocht weigeren op levende materie. (14, 15) Hiermee kwam een jaren lange discussie en een juridische strijd tot einde. Het bracht een ‘revolutie’ binnen de biomoleculaire wereld te weeg (zowel voor de academische als de commerciële wereld). De uitspraak was vooral van belang voor de recombinant-DNA-technologen die door middel van genetische manipulatie ‘nieuwe’ levende organismen ontwikkelen. (14)
De juridische strijd begon in 1972 toen de Bengaalse wetenschapper Ananda Chakbrabarty van de firma General Electric een nieuw organisme ontwikkelde. Hij had vier verschillende Pseudonomas stammen met elkaar gekruist tot een stabiele hybride. Deze bacterie bleek in staat te zijn om in een zuurstofrijke omgeving, 2/3 van in olie voorkomende giftige bestanddelen, af te breken tot ‘onschuldige’ eiwitten en koolstofdioxide. Een patent op deze bacterie werd geweigerd omdat men geen patent op levende materie wou verlenen. (14, 15)

Omstreeks dezelfde tijd ontwikkelden S.Cohen en H.Boyer (Stanford Universiteit en respectievelijk Universiteit van Californië) de recombinant-DNA techniek. Het was in die tijd een enorme wetenschappelijke doorbraak, omdat wetenschappers hierdoor een gen of een stukje DNA konden isoleren en vermeerderen en overbrengen naar een ander DNA molecuul. Hiermee kon men de gen structuur en de gen functie onderzoeken. Door deze techniek ontstonden ook een heleboel nieuwe technieken die gebruik maakten van het systeem. Een voorbeeld was het produceren van chemische moleculen (hormonen, insuline etc).
Het artikel hierover verscheen in november 1973 en Cohen en Boyer waren helemaal niet van plan om deze vinding te gaan patenteren. Wanneer N. Reimers voor het eerst in mei 1974 over recombinant-DNA techniek hoorde was hij al van overtuigd dat deze techniek goed kon worden gepatenteerd. Hij werkte voor een patentbureau van Stanford Universiteit. Het lukte hem om uitvinders te overtuigen om te proberen hun uitvinding te laten patenteren. In die tijd was het nog ondenkbaar om levende materie te patenteren. Ook was het zeer ongebruikelijk om in de academische wereld een patent op vindingen te gaan aanvragen. Het was toen een ‘regel’ afkomstig uit “American Medical Association’s Code of Ethics of 1847” dat patenteren in de academisch biomedisch wereld op ethische gronden niet geoorloofd waren. Men was toen van mening dat alle vindingen en kennis in de academische wereld voor iedereen openbaar en bruikbaar moesten zijn. (14)
Reimers, Boyer, Cohen zagen al vroeg in dat hun uitvinding ook enorme commerciële mogelijkheden hadden. Ze besloten om een patent aan te vragen en ze waren van plan om het patent aan Stanford Universiteit af te staan, zodat de inkomsten uit het patentrecht direct naar het onderzoek, onderwijs en andere nuttige doelen gingen. Ondanks goede bedoelingen van uitvinders ontstond zowel in academische werend als in de publieke opinie een rumoer. Om verschillende redenen was de patentaanvraag zeer omstreden. Veel wetenschappers en niet-wetenschappers waren tegen het patenteren van recombinant-DNA techniek. Ze voerden argumenten aan dat academisch vrij van commercierealisatie moesten blijven. Ook moest de kennis vrij toegankelijk voor iedereen blijven. Men was bang dat er gevaren aan deze techniek. Ten slotte waren er ook nog de medewerkers van Boyer en Cohen die ook aan de ontwikkeling van deze techniek hadden gewerkt. Zij werden bij de aanvraag van het patent niet erkend als uitvinders omdat bij een aanvraag maar aantal uitvinders mocht worden vermeld. (14)
Ondanks de oppositie werden sommige bezwaren verzacht of opgeheven door o.a. veiligheid afspraken en dat de opbrengsten naar de academie gingen. Hierdoor lieten de mede uitvinders het ook toe dat de vinding werd gepatenteerd. De omstreden aanvraag kreeg ook de steun vanuit de politieke, met name van Carter’s en Reagen’s. (10, 14) Ze waren ervan overtuig dat de commercialisering van recombinant-DNA techniek een enorme impuls in biotechnologie bedrijven kon geven en zodoende ook voor meer banen zou zorgen. Tevens zouden het ook een enorme simulant voor de moleculaire biologie zijn en tot een leidende positie van Amerika in de wereld leiden. De regering zag wel heil in de nieuwe ontwikkeling dat de wetenschap extra geld ontving van de commercie, waardoor onderzoek een stuk makkelijker uitgevoerd kon worden.
Na vele moeilijkheden en uiteindelijke uitspraak van het hoge gerechthof in Diamond versus Chakbrabarty greep Reimers onmiddellijke de kans en diende de aanvraag voor een patent in. In 1981, werd het patent op de recombinant-DNA techniek toegekend aan de Stanford Universiteit. Een aantal jaren later volgde nog een ander patent voor een andere techniek die verwant was aan de recombinant-DNA techniek. Hiermee kreeg Stanford Universiteit een monopolie tot 1997 op de recombinant-DNA technieken. Een groot aantal biotechnologie bedrijven heeft van deze techniek gebruik gemaakt en gaf daarmee een enorme impuls op commercialisering van de academische wereld. (14)



Commercialisering gentechnologie

In de jaren zeventig en tachtig zorgde de biotechnologie voor een commercieel succes. De opkomst van gentherapie kan dat succes eventueel herhalen in de jaren negentig. Door de opkomst van gentherapie in de jaren negentig raakten de wetenschappers geboeid door de mogelijkheid om ziekten bij de oorsprong te kunnen genezen. Tegelijk raakten de farmaceutische onderzoekers geboeid door een eventuele revolutie op het gebied van nieuwe geneesmiddelen. Door de ontdekking van de genetische achtergrond van ziekten ontstond een hele nieuwe markt met onontdekte geneesmiddelen die erg winstgevend zouden kunnen worden. De bedrijven hebben dus een aantal uitdagingen die ze hiervoor moeten aangaan. Ten eerste moeten ze begrijpen wat de genetische basis van ziekten is. Daarna moeten ze de technologie ontwikkelen om tot een therapie te komen. Deze therapie moet dan op de markt komen en niet teveel kosten. Maar het belangrijkste is dat het bedrijf de rechten op dat product heeft, dit levert namelijk de meeste winst op(16).

Kennis is dus een belangrijke voorwaarde voor commercialisering. Het is belangrijk te onderstrepen dat de gentherapie ontstaan is in een heel ander wetenschappelijk klimaat dan het klimaat van de farmaceutische industrie. Omdat de evolutie die de kennis van gentherapie heeft ondergaan erg snel is, alles moet in een nog korter tijdsbestek worden uitgevonden (17). De farmaceutische industrie moet hierop anticiperen om de technologie toe te passen voor een commercieel succes. Een bijkomende moeilijkheid voor kennisvergaring is het feit dat veel kennis wordt achtergehouden. Wetenschappelijk resultaten worden achtergehouden voor patentaanvragen. Niet het delen van kennis maar het maken van winst als gevolg van patenten is de richting van de gentherapie geworden(18). De combinatie van ondernemerschap en wetenschappelijke progressie leidt tot patenten die de fundamentele concepten bedekt van de gentherapie dan de daadwerkelijke technologie. Op deze manier kan de ontwikkeling van therapie geblokkeerd raken.

Nadat de kennis aanwezig is moet het proces gestart worden om tot een therapie te komen. Je moet beginnen met een duidelijk doel. Met de aanwezige moleculaire technieken moet het gen in kwestie worden gerepareerd. Als de ziekte het gevolg is van een missend gen dan moet er een functioneel nieuw geproduceerd gen er voor in de plaats komen in de juiste cellen en met een goede hoeveelheid. Voor een goed lopend proces zijn er minstens drie rechten nodig. Het recht op het gen zelf. Het recht op het inbouwen van het gen en als laatste het recht op de controle van het gen. Vaak zijn er ook nog bijkomende processen en technologieën nodig om tot het gewenste therapeutische resultaat te komen (figuur 1).

Technologie Exclusiviteitpotentie Opmerkingen
‘Ziekte Behandeling Concept’ Gemiddeld/hoog Kan verschillende technologische invalshoeken domineren
Gen of cDNA Gemiddeld/hoog Hoog voor vervanging van wildtype genen, maar kan een lagere potentie hebben voor gemaakte genen als down-regulatoren.
Handelswijze Gemiddeld Basistechnologieën voor de productie van ‘designer’ genen om genfunctie te inhiberen
Vectors Laag/gemiddeld Mogelijkheid dat meerdere vectoren hetzelfde functioneren. Kan ook een gelimiteerde potentie hebben door dominante paraplupatenten.
Expressieregulatoren Laag/hoog Mogelijkheid op dezelfde werkingen, maar ook kans op hele specifieke regulatoren.
Productie Laag/hoog Alleen de beste methoden worden waarschijnlijk beschermd door patenten.
Tabel 1 Gentherapie technologieën en rechten(16)

Na het productieproces moet het bedrijf de therapie op de markt brengen voor een goede prijs. Het gebruik van sommige technieken moet afgekocht worden en kan een substantieel gedeelte vormen van de kosten van een bedrijf. Succes hangt niet af van het bezitten van alle rechten, maar is afhankelijk van de creativiteit van het bedrijf om toegang te verkrijgen tot die rechten. Niet alleen de product engineering is belangrijk maar ook de financiële ‘engineering’ om tot een balans te komen tussen investering en resultaat. Vaak wordt technologie gebruikt die makkelijker te verkrijgen is en weinig kost, dan dat daadwerkelijk het de beste technologie is voor het wetenschappelijke resultaat.

Als gentherapie het succes van biotechnologie wil herhalen en de verwachtingen van de maatschappij wil waarmaken, dan zou dat parallel moeten gaan aan de biotechnologie op de gebieden van wetenschap, ontwikkeling en business. Een succesvolle strategie die de gentherapie een winnaar kan maken in het begin van deze prille eeuw.

Nadelen van de commercialisering van de genetica

De genetische wetenschap heeft altijd al nauwe banden gehad met de industrie. Maar de hedendaagse onderzoekers ervaren meer invloed van uit de private sector dan ooit tevoren (18). Er zijn meer samenwerk tussen universiteiten en industrie (18). De recente opmars van biotechnologie als een economische kracht is onder andere het gevolg van de interesse door de vooruitgangen in het genetisch onderzoek (18). Of we nu spreken over diagnostische services of de verkoop van genetische informatie aan grote farmaceutische bedrijven, het is duidelijk dat de humane genetica een significant component is geworden van de zorgindustrie. Maar ondanks de vele voordelen zijn er ook veel zorgende vragen over de commercialisering (18). Wat is het gevolg van de marktkrachten op de manier hoe wetenschap wordt bedreven? Zal de commerciële druk gevolgen hebben voor de maatschappelijke perceptie van genetica? (18) Wat tijdens deze discussie wel duidelijk moet zijn, is de wetenschappelijke paradox tussen wetenschappelijke nood en beschikbare bronnen. Er is altijd een tekort aan investeringen en die moeten ergens vandaan komen.

Het eerste nadeel is betreft de patenten op intellectueel bezit. De patenten voor genetische vindingen heeft een atmosfeer van geheimhouding veroorzaakt tussen wetenschappers. Om zeker te zijn van de voordelen van een patent moet een wetenschapper informatie achterhouden tot de patentaanvraag is afgerond. Het gevolg is dat vitale wetenschappelijke of zelfs klinische (18) informatie langer wordt achtergehouden dan vroeger. Dit zal gevolgen hebben voor de aard van samenwerking in het wetenschappelijk onderzoek. Het is bewezen dat de invloed van commercialisering significant gecorreleerd is met de tendens om wetenschappelijke resultaten achter te houden (18).

Een ander gerelateerd probleem is de verdwijning van het unieke karakter van wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten. Er ontstaan allianties tussen bedrijven en universiteiten. Vroeger was de universiteit altijd al onderhevig aan een variëteit van externe invloeden. Maar door de opkomst van de universiteit-industrie allianties komt een constante druk op de levenswetenschappen te staan. Universiteiten houden zich niet meer langer bezig met basisonderzoek, maar houden zich bezig met onderzoek met meer commerciële potentie (18). Op een fundamenteel niveau is een groeiende angst aanwezig dat toenemende commercialisering zal resulteren in een verlies van objectiviteit en academische vrijheid (18).

Het derde probleem is de te vroege implementatie van genetische producten. Tot op vandaag zijn er maar een klein aantal diagnostische diensten die commercieel verhandeld worden. Maar er worden grote investeringen gedaan in het onderzoek naar genetische producten. Het vertrouwen van de investeerders zal blijven als er nieuwe ontdekkingen gedaan worden in de genetica. De angst bestaat dat veel genetische diensten aan het publiek worden aangeboden zonder dat de efficiëntie en ethische en sociale aspecten zijn onderzocht (18).

Het meest controversiële en speculatieve dilemma geassocieerd met de commercialisering van genetica is het idee dat de marktkrachten een eugenistische neiging hebben. Deze stelling heeft ook zeker een fundering. De commerciële strategieën voor de marketing van producten zullen de maatschappelijke perceptie beïnvloeden wat betreft de humane normaliteit (18). Ook al is er weinig bewijs op het moment om de gedachte te staven dat de ‘laissez-faire’ eugenetica groeiende is (18), is het moeilijk te ontkennen dat marktkrachten een invloed uitoefenen op de consumptie van goederen. De wereld van de gezondheidszorg is niet immuun voor deze invloeden (18). Een voorbeeld is de ontwikkeling van recombinant groeihormoon. Door deze ontwikkeling ontstaat het idee dat kleiner zijn een ziekte is en dat een klein individu een behandeling nodig heeft (18).

De biotechnologie wordt steeds belangrijker voor de regionale economie. De meeste regeringen hebben een standpunt voor de commercialisering van wetenschappelijk onderzoek. En er is een blijvende vraag aan investeringen voor wetenschappelijk onderzoek. Als gevolg van de groeiende commercialisering is een niet-regulerende situatie ontstaan in de wetenschap. Veel problemen wat betreft de commercialisering van de wetenschap blijven speculatief en er is meer onderzoek nodig naar dit subject. Uiteindelijk moeten we een balans zien te vinden tussen de legitieme noden van de industrie en gerechtvaardige zorgen wat betreft commercialisering.

Conclusie
Het ontstaan van de huidige genetische modificatietechnieken heeft voor een groot deel plaats gevonden in de 20ste eeuw. Na de herontdekking van Mendel’s experimenten, lag de weg open voor Avery, Watson en Crick om tot de grondbeginselen van het DNA te komen. Deze kennis kon door volgende generaties onderzoekers worden gebruikt voor gentherapie, genetische modificatie van planten en dieren en al het geen dat DNA in zich bevatte. Door een reeks van kleine stappen kon men tot een beter begrip van overerving en reproductie komen. De wetenschap was in staat om de toekomst van het leven te veranderen.
De patentwetgeving heeft door de geschiedenis heen zijn nut bewezen en een goede stimulans voor de technologische vooruitgang gezorgd. Deze wetgeving beschermt uitvinders (en investeerders) tegen het imiteren van hun vindingen. Het gevolg is dat bedrijven hun investeringen met winst terug kunnen verdienen. De winsten, eerzucht en drang naar de kennis vormen samen een belangrijke motivatie voor de ontwikkeling van biotechnologie
Zolang er een evenwicht is tussen de lengte van geldigheidsduur van gepatenteerde vindingen en het nut voor de maatschappij blijft bestaan bewijst de patentwetgeving zijn goede dienst.
Een te korte geldigheidsduur kan investeerders afschrikken: er bestaat een risico dat het bedrag niet meer terugverdiend kan worden.
De Biotechnologie heeft zijn grote opruk gemaakt na 1980. Door nieuwe technieken, zoals recombinant DNA en PCR, is het belang van de biotechnologie sterk vergroot. Niet langer was de biotechnologie los te zien van chemische technologie en de farmaceutische industrie. Dit werd getypeerd door fusies tussen dit soort bedrijven. Maar met deze ontwikkeling nam het wantrouwen ook toe en werd de biotechnologie als een bedreiging gezien. Toch is dit aan het afnemen omdat het publiek beter op de hoogte is van wat er zo al afspeelt in de biotechnologie en wat het onderzoek kan betekenen voor de maatschappij zelf.

Literatuur
1. P. Goujon, “From Biotechnology To Genomes. The meaning of the double helix”, World Scientific, 2001
2. J.D. Watson and F.H.C. Crick, “A structure for deoxyribose nucleic acid”, Nature. Vol. 171, 1953.
3. E. Antebi, D. Fishlock, “Biotechnologie. Een nieuwe industriële revolutie”, Natuur en Techniek, 1985.
4. http://www.ncbiotech.org/biotech101/timeline.cfm (2004)
5. http://www.biotechmedia.com/events.html (2004)
6. A.L. Demian, “Genetics and microbiology of industrial microorganisms. Molecular genetics and industrial microbiology – 30 years of marriage”, Journal of Industrial Microbiology, volume 27, 352-356, 2001.
7. C.J. van der Klaauw, H.J. Lam, G.O.E. Lignac, “Eerste Nederlandse systematisch ingerichte encyclopaedie”, Ensie, deel VI, 1949.#
8. A.D. Moore, “Intellectual property, innovation, and social progress: the case against incentive based arguments”, Hamline Law Review, vol, 26:3, 2003
9. L.Hayflick, “A novel Technique for transforming the theft of mortal human cells into praiseworthy federal policy”, Experimental Gerontology, VOl. 33. Nos. 1/2, 191-207, 1998
10. Drs. K.M. van Steensel, drs. S.E. van Amstel, drs.A.H.C. van Gool, “De genetische revolutie. Gevolgen en besluitvorming”, © Stichting Maatschappij en Onderneming, 2002
11. Mr. S.J.R. Bostyn, prof.mr. E.J. Dommering, prof.mr. J.K.M. Gevers, mr. B.M. Vroom-Cramer, “Moderne biotechnologie en recht”, Kluwer, tweede druk, 2001
12. E.S. van de Graaf, “Patent Law and Modern Biotechnology”, Gouda Quint, 1996
13. S.S. Hughes, “Making Dollars Out of DNA, The first Major Patent in Biotechnology and the commercialization of Molecular biology, 1974-1980, Isis, 92:541-575, 2001
14. http://people.bu.edu/ebortman/index/chakrabarty.html (2004)
15. R. Bud, “The used of life. A history of biotechnology”, tweede druk, 1994
16. Bossart J, Pearson B (1995) Commercialization of gene therapy – the evolution of licensing and rights issues. Tibtech 13:290-294
17. Sikora K (1994) Genes, dreams, and cancer. British Medical Journal 308:1217-1221
18. Wuethrich B (1993) All rights reserved: how the gene-patenting race is affecting science. Science News 144:154-157