Tijd: 14.00-16.30 uur. Dit tentamen bevat 72 vragen.
A = Histologie; B = Fysiologie; C = Pathologie; D = Immunologie; E = Anatomie;
F = Embryologie
G = PGO-stof. Van de vier alternatieven is slechts één het meest
juiste.
==========================================================================A
HISTOLOGIE
1. Welke celtypen ontstaan uit het ektoderm?
a. myofibroblasten
b. ependymcellen
c. chondroblasten
d. chondrocyten
Antwoord: b
2. Myeline
a. is een secretieproduct van microglia
b. bestaat uit gewonden celmembranen
c. kleurt positief met PAS
d. activeert de bindingsplaats van actine op myosine
Antwoord: b
3. Vezelig kraakbeen
a. vormt het tijdelijk skelet tijdens de foetale ontwikkeling
b. bevindt zich in de peesaanhechtingen op botten
c. bevat zeer veel elastine en collageen II
d. vertoont alleen interstitiële groei
Antwoord: b
4. Myo-epitheliale cellen
a. zijn contractiele elementen in klierbesjes
b. bekleden de hersenventrikels
c. vormen de bekleding van het epicard
d. bevatten in hun myofibrillen alleen myosine
Antwoord: a
5. Skeletspiercellen
a. kunnen een lengte hebben tot 50 cm
b. zijn gefuseerd uit myoblasten
c. zijn verbonden door intercalair schijven
d. bevatten in de Z lijn verankerd myosine
Antwoord: b
6. Vergeleken met een niet-gemyeliniseerd axon is bij depolarisatie van een gemyeliniseerde zenuw
a. de prikkelgeleiding sneller, maar kost meer energie
b. de prikkelgeleiding langzamer, maar metabool zeer efficient
c. de prikkelgeleiding even snel maar metabool efficienter
d. de prikkelgeleiding sneller en metabool meer efficient
Antwoord: d
7. Welke bewering is JUIST?
a. Het aantal microglia cellen in de grote hersenen kan toenemen bij ziekte.
b. De glia limitans wordt door microglia cellen gevormd.
c. Door de bloed-hersen barriere kunnen monocyten de hersenen niet binnentreden
d. In de hersenvliezen komen geen macrofagen voor.
Antwoord: a
8. De bloedhersenbarriere wordt gevormd door:
a. glia limitans en basaal membraan
b. basaal membraan en astrocyten
c. endotheel, basaalmembraan en astrocyten
d. glia limitans en endotheel
Antwoord: c
9. Bloedplaatjes
a. worden gevormd door afsnoering van endotheelcellen
b. zijn metabool inactief en hebben een sterk pyknotische kern
c. kunnen hechten aan collageen van de onder het endotheel liggende matrix
d. geven de inhoud van hun granula af na activatie door IgE
Antwoord: c
10. Welke bewering over vetweefsel is JUIST?
a. Vetweefsel heeft een belangrijke rol als opslagweefsel maar niet als steunweefsel.
b. Vetweefsel is rijk doorbloed maar niet geïnnerveerd.
c. Groeihormoon en noradrenaline zijn betrokken bij de regulatie van vetopname
door vetcellen.
d. Univacuoliare en multivacuolaire vetcellen hebben verschillende voorlopercellen.
Antwoord: c
11. Welke bewering over gladde spiercellen is JUIST?
a. Bij een dwarsgetroffen gladde spiercel is de centrale kern altijd goed zichtbaar.
b. De contractiele elementen zijn georganiseerd rondom de kern.
c. Gladde spiercellen communiceren onderling door intercalair schijven.
d. Caveoli zijn belangrijk voor de Ca++ regulatie van de cel.
Antwoord: d
12. Glycosaminoglycanen
a. worden geproduceerd door fibroblasten en hebben een positieve lading
b. hebben een hoge negatieve lading en zijn sterk hydrofiel
c. stoten water af
d. zijn betrokken bij de vorming van proteoglycanen
Antwoord: b
13. Bij de contractie van een dwarsgestreepte spiercel;
a. worden de A-banden breder
b. nemen de de I-banden in breedte toe
c. wordt de H-band smaller
d. speelt Ca in het cytosol geen rol
Antwoord: c
14. Tight junctions (occluding junctions) zijn sterk ontwikkeld in de:
a. epitheelcellen die de dunne darm bekleden
b. epitheelcellen van de huid
c. fibroblasten van het bindweefsel
d. astrocyten van het zenuwweefsel
Antwoord: a
B FYSIOLOGIE
15. De hoeveelheid ATP die in een spier opgeslagen ligt is voldoende voor een contractie van:
a. een seconde
b. een minuut
c. een uur
d. een dag
Antwoord: a
16. Welke zijn de twee belangrijkste metabole oorzaken van de krachtafname tijdens spiervermoeidheid?
a. stijging van de Mg2+ en de Ca2+ concentratie
b. stijging van de Pi concentratie en daling van de pH (verzuring)
c. daling van de ATP concentratie en stijging van de ADP concentratie
d. daling van het creatine fosfaat (PCr) en stijging van de pH (alkalose)
Antwoord: b
17. Welke van de volgende beweringen is juist?
a. In rust is ATP gebonden aan het actine (A) - myosine (M) complex (AM.ATP).
b. De krachtontwikkeling vind plaats tijdens een van de biochemische overgangen
van het AM.ADP.Pi complex naar het AM complex.
c. ATP binding leidt tot het verbreken van de verbinding tussen actine en myosine.
d. zowel b. als c. zijn juist
Antwoord: d
18. Waarom kan een spier slechts een korte periode contraheren met zijn maximale verkortingssnelheid?
a. De spier verbruikt in die periode zoveel energie dat er spiervermoeidheid
optreedt.
b. De spiertemperatuur stijgt en dit leidt tot een afname van de snelheid waarmee
de spier verkort.
c. De calciumconcentratie in de spier stijgt en dit leidt tot een afname van
de snelheid waarmee de spier verkort.
d. De spierlengte is begrensd: de spier kan maar over een geringe afstand verkorten.
Antwoord: d
19. Het fysiologische werkingsprincipe van training is gebaseerd op:
a. het verschuiven van de pijndrempel
b. het vergroten van de ATP voorraad in de spier
c. het verminderen van de schade bij zuurstoftekort
d. het opwekken van een beschermingsreactie tegen overbelasting
Antwoord: d
20. Een belangrijk verschil in de excitatie van single-unit en multi-unit glad spierweefsel wordt veroorzaakt door:
a. De grootte van de actiepotentiaal
b. De duur van de refractaire periode
c. De functie van het sarcoplasmatisch reticulum
d. De aanwezigheid van electrisch geleidende contacten (gap-junctions) tussen
de cellen.
Antwoord: d
21. Gladde spiercontracties worden geremd door EDTA (ethyleenglycoltetraamino-acetaat).
Dit is omdat
a. EDTA een verbinding vormt met calcium waardoor de vrije calcium concentratie
in het weefsel daalt
b. EDTA de muscarine-achtige receptoren in het celmembraan activeert
c. EDTA de defosforylering van myosine stimuleert
d. EDTA voor een afname zorgt van de permeabiliteit van het celmembraan voor
Ca2+-ionen
Antwoord: a
22. Temporele summatie
a. leidt tot een grotere afgifte van neurotransmitter naar de synapsspleet
toe
b. leidt tot een hogere actiepotentiaal in het postsynaptische neuron
c. betreft een optellen van EPSP’s
d. zowel a, b als c
Antwoord: c
23. Depressie wordt onder andere medicamenteus behandeld. Zo’n behandeling beoogt de heropname in het presynaptische neuron van de volgende neurotransmitter te remmen:
a. serotonine
b. acetylcholine
c. gamma-aminoboterzuur (GABA)
d. endorfine
Antwoord: a
24. Tot de propriosensoren worden gerekend
a. de lichaampjes van Vater Pacini
b. de baroreceptoren in de aorta
c. de osmosensoren
d. de spierspoeltjes
Antwoord: d
25. Prikkeling van mechanosensoren in de huid leidt in deze cellen tot:
a. een instroom van chloor-ionen
b. een instroom van calcium-ionen
c. een instroom van natrium-ionen
d. een uitstroom van kalium-ionen
Antwoord: c
26. De reflextijd, zoals bij de kniepeesreflex, is opgebouwd uit verschillende
componenten.
Relatief de meeste tijd neemt:
a. de receptor tijd
b. de centrale reflex tijd
c. de geleidingstijd in de efferente zenuwbaan
d. de effector tijd
Antwoord: d
27. Zenuwbanen vanuit de spierspoeltjes
a. verlopen via het lemniscus-medialis systeem
b. kruisen op het niveau van binnenkomst in het ruggemerg direct over
c. verlopen via het antero-laterale systeem
d. bereiken de intralaminaire kernen van de thalamus
Antwoord: a
28. Bij het spreken krijgen de betreffende spieren signalen
a. uit het centrum van Broca, dat op zijn beurt signalen krijgt uit de primaire
motorische velden
b. uit de primaire motorische velden, welke op hun beurt signalen krijgen uit
het centrum van Wernicke
c. uit het centrum van Wernicke, dat op zijn beurt signalen krijgt uit de primaire
motorische velden
d. uit de primaire motorische velden, welke op hun beurt signalen krijgen uit
het centrum van Broca
Antwoord: d
29. De intrafusale spiervezels in het spierspoeltje
a. dienen om de rekgevoeligheid van het receptorgedeelte te regelen
b. worden geïnnerveerd door het alfa-motorneuron
c. zijn hulpvezels van de extrafusale spiervezels welke alleen bij zware inspanning
worden geactiveerd
d. zowel a,b als c
Antwoord: a
30. Hoe komt het dat prikkels die via het spino-thalamische systeem de hersenen bereiken, eerder door narcose geblokkeerd worden dan prikkels die via het lemniscus medialis systeem binnenkomen? Doordat het spinothalamische systeem
a. veel minder synaptische overgangen bevat
b. veel meer synaptische overgangen bevat.
c. evolutionair jonger is
d. uit een ander type zenuwvezels bestaat.
Antwoord: b
31. Wanneer de muscarine-receptoren voor acetylcholine gebokkeerd worden
a. kan er nog wel een parasympathisch gestuurde pupilvernauwing optreden
b. kan er geen sympathisch gestuurde bloedvatvernauwing optreden
c. kan er geen sympathisch gestuurde zweetsecretie optreden
d. kan er nog wel een sympathisch gestuurde bloedvatverwijding optreden
Antwoord: c
C PATHOLOGIE
32. Fagocyose van bacteriën verloopt aanzienlijk sneller door
a. toevoeging van meer bacterieel endotoxine
b. coating van bacteriën met antistoffen van de IgG klasse
c. remming van plasminogeen
d. de aanwezigheid van veel acute fase eiwitten in het weefsel
Antwoord: b
33. Waaruit bestaat de bodem van een ulcus, beschreven van het oppervlak naar beneden toe?
a. fibrine, granulocyten, granulatieweefsel met rondkernig ontstekingsinfiltraat
b. lymfocyten, plasmacellen, granulocyten en granulatieweefsel
c. epithelioid cellen lymfocyten en fibroblasten
d. fibrine, reuscellen en granulatieweefsel
Antwoord: a
34. Bij een ontsteking worden veel granulocyten aangetroffen. De ontsteking is dus in de
a. hyperaemische fase
b. exsudatieve fase
c. infiltratieve fase
d. proliferatie fase
Antwoord: c
35. Degranulatie van mestcellen wordt bevorderd door
a. acute fase eiwitten
b. anaphylatoxinen
c. endotoxine
d. bradykinine
Antwoord: b
36. Oedeem is op sommige plaatsen levensbedreigend, doordat het extra uitgetreden vocht ruimtegebrek veroorzaakt. Dat is het geval in:
a. de longen
b. het hart
c. de lever
d. de larynx
Antwoord: d
37. Bij atherosclerose is de eerste stap in het proces
a. kanalisatie van een thrombusmassa
b. accumulatie van lipiden in de intima
c. proliferatie van gladde spiercellen
d. endotheelbeschadiging
Antwoord: d
38. I. Maligne tumoren groeien altijd sneller dan benigne tumoren.
II. Metastasering is altijd een bewijs van maligniteit.
a. I en II zijn beide juist,
b. I is juist, II is onjuist
c. I is onjuist, II is juist
d. I en II zijn beide onjuist
Antwoord: c
39. Een tumor toont een opbouw in solide velden, zonder buisvorming, maar er is geringe slijmsecretie. Zo'n tumor noemt men een
a. matig gedifferentieerd adenocarcinoom
b. slecht gedifferentieerd adenocarcinoom
c. slecht gedifferentieerd plaveiselcelcarcinoom
d. ongedifferentieerd carcinoom
Antwoord: b *** vraag is geskipt ***
40. Tumorcellen
a. breken matrix af
b. maken nieuwe matrix
c. doen beide (zowel a als b)
d. doen geen van beide, maar induceren afbraak en productie door andere cellen
Antwoord: c
41. Sarcoidose is een vorm van granulomateuze ontsteking. Daarmee lijkt het op een ander ziektebeeld:
a. tuberculose
b. infectie met mazelenvirus
c. furunkel (steenpuist), een stafylococcen-infectie
d. vreemdlichaamreuscelreactie, b.v. op hoornschilfers
Antwoord: a
42. Een hemorrhagisch infarct kan ontstaan in
a. de hersenen
b. de longen
c. de darm
d. alle drie de mogelijkheden zijn juist
Antwoord: d
43. En maligne gezwel van vetweefsel noemt men:
a. liposarcoom
b. lipocarcinoom
c. lipoom
d. lipocancer
Antwoord: a
44. De celcyclus kent 4 fasen. De duur van de celcyclus varieert nogal.
Welke van de 4 fasen is voornamelijk verantwoordelijk voor de duur van de celcyclus?
a. de M-fase (mitose)
b. de G1-fase
c. de S-fase
d. de G2-fase
Antwoord: b
45. Welke stoffen spelen een rol bij invasie van tumorcellen in een weefsel
a. groeifactoren en extracellulaire matrix-eiwitten
b. extracellulaire matrix-eiwitten en histamine
c. histamine en collagenase
d. E-cadherine
Antwoord: a
D IMMUNOLOGIE
46. Activatie van een T-lymfocyt leidt tot
a. secretie van de antigeen receptor van de T-cel
b. productie van cytokinen die T- of B-cellen kunnen activeren
c. productie van immunoglobulinen die met het antigeen complexeren
d. de vorming van plasmacellen
Antwoord: b
47. Welke bewering is JUIST?
a. IgA wordt nooit aangetroffen bij immuunreacties in de darm.
b. IgG zie je vooral bij primaire immuun reacties.
c. IgE wordt door mestcellen gemaakt.
d. Uitgescheiden IgM is een pentameer molecuul.
Antwoord: d
48 Bacteriën aanwezig in de bloedbaan worden vooral weggevangen door
a. de milt
b. de thymus
c. de lymfeklieren
d. de tonsillen
Antwoord: a
49. Een immunologische reactie neemt na enige tijd in heftigheid af. Dit wordt veroorzaakt door:
a. de B- en T-lymfocyten die specifiek zijn voor het betreffende antigeen uitgeput
raken
b. cytokinen slechts over korte afstand kunnen werken
c. macrofagen verzadigd raken met de gevormde immuuncomplexen
d. de hoeveelheid vrij antigeen afneemt
Antwoord: d
E ANATOMIE
50. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. De platte beenderen van de schedel ontstaan door verbening van de epifysaire
schijven
b. De korte pijpbeenderen groeien in de lengte als gevolg van appositionele
groei van osteocyten
c. De epifysen van lange pijpbeenderen worden gevasculariseerd door arteriën
die rechtstreeks de epifyse binnendringen
d. De onregelmatige beenderen bestaan uit compact botweefsel
Antwoord: c
51. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. In de figuur 1 wordt de membrana fibrosa met nummer 2 aangegeven
b. De membrana fibrosa wordt gevormd door de pezen van spieren die langs het
gewricht lopen
c. Het gewrichtskraakbeen wordt door de gewrichtssmeer gevoed
d. De metafyse van een articulerend botstuk is met nummer 3 in figuur 1 aangegeven
Antwoord: c
52. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. In een ginglimus (schaar gewricht) verhinderen de collaterale ligamenten
ongewenste bewegingen
b. Uitbreidingen van de gewrichtsholte onder pezen van spieren worden synoviale
scheden genoemd
c. Menisci zijn schijven van bindweefsel die de articulerende botstukken volledig
van elkaar scheiden
d. Het gewrichtskraakbeen vormt het overblijfsel van de epifysaire schijf
Antwoord: a
53. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. Pezen van spieren hebben een geringe mechanische functie
b. Een motor-unit is een verzameling spiervezels geïnnerveerd door een
spinale (achterhoorn) zenuw
c. Met het punctum fixum (vast punt) wordt de aanhechting van een pees op het
bewegend bot aangeduid
d. Synoviale peesscheden vindt men op plaatsen waar grote wrijvingen kunnen
ontstaan tussen pezen en hun omgeving
Antwoord: d
54. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. Een bi-articulaire spier is een spier die twee oorsprongskoppen heeft
b. Synergisten zijn spieren die altijd actief zijn bij het uitvoeren van een
beweging
c. Spieren die dicht bij het gewricht liggen hebben een gunstig gewrichtscomponent
d. Neutraliserende spieren zijn spieren die een verbinding met het gewrichtskapsel
hebben
Antwoord: c
55. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. In figuur 2 wordt het mesencephalon met letter A aangegeven
b. In figuur 2 wordt de vierde ventrikel met letter B aangegeven
c. In figuur 2 wordt de hypothalamus met letter C aangegeven
d. In figuur 2 wordt het myelencephalon met letter D aangegeven
Antwoord: b
56. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. De hersenbalk verbindt het telencephalon met het diencephalon
b. De thalamus vormt een schakelcentrum voor sensibele informatie
c. De hippocampus ligt in de frontale kwab van de grote hersenen
d. De tractus corticospinalis (piramide baan) ontspringt in de lenskern
Antwoord: b
57. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. De postganglionaire vezels van de visceraal motorische zenuwen ontspringen
in cellen die in een visceraal ganglion liggen
b. In de voorhoorn van de grijze stof in het ruggenmerg liggen de cellichamen
van de visceraal motorische zenuwen
c. De somatisch motorische neuronen schakelen in de grensstreng over op secundaire
neuronen
d. De spinale ganglia bevinden zich in de voorwortel van de spinale zenuwen
Antwoord: a
F EMBRYOLOGIE
58. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. De capacitatie van de zaadcel vindt als regel in de testis plaats
b. De bevruchting is soort specifiek
c. Het vastleggen van het genetisch geslacht van de zygote noemt men acrosoomreactie
d. De klievingsdelingen beginnen onmiddellijk na de bevruchting
Antwoord: b
59. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. De pre-embryonale periode omvat de eerste drie weken na de bevruchting
b. De orgaandifferentiatie begint in de 12e week na de bevruchting
c. De overgrote meerderheid van congenitale afwijkingen heeft een genetische
achtergrond
d. De embryonale periode duurt ongeveer 38 weken
Antwoord: a
60. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. Het neuroectoderm wordt in figuur 3 met letter A aangegeven
b. De voordarm wordt in figuur 3 met letter B aangegeven
c. De amnionholte wordt in figuur 3 met letter C aangegeven
d. Ter hoogte van de membrana oropharyngea ontbreekt het mesoderm
Antwoord: d
61. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. De chorionholte wordt in figuur 4 met letter A aangegeven
b. De placenta produceert hormonen die essentieel zijn voor het behoud van de
zwangerschap
c. Het chorion ontstaat door migratie van epiblast cellen
d. De decidua basalis bekleedt de wanden van de baarmoeder
Antwoord: b
62. Welke van de volgende vier beweringen is juist?
a. De chorda dorsalis wordt in figuur 5 met letter A aangegeven
b. Het dermomyotoom wordt in figuur 5 met letter B aangegeven
c. De spinale ganglia (C) zijn rechtstreeks uit de neurale buis ontstaan
d. De cellen van de prevertebrale viscerale ganglia (D) zijn afkomstig van de
neurale lijsten
Antwoord: d
G PGO-stof
63. Centraal in de diaphyse van een volgroeid pijpbeen bevindt zich
a. spongieus bot met osteonen
b. spongieus bot met osteonen, waartussen beenmerg
c. plexiform bot zonder beenmerg
d. plexiform bot met beenmerg
Antwoord: b
64. Bij intramembraneuze verbening:
a. worden lokaal osteoblasten uit mesemchymcellen gevormd
b. wordt lokaal aanwezig kraakbeen omgevormd tot been
c. vindt vorming van been plaats door fibroblasten
d. spelen osteoklasten nog geen rol
Antwoord: a
65. Osteonen
a. worden door endomysium onderling verbonden
b. lopen in een bot altijd loodrecht op de zwaartekracht
c. kunnen van richting veranderen onder invloed van veranderde belasting
d. zijn niet aanwezig in spongieus been
Antwoord: c
66. Aan de specificiteit van ons immuunsysteem ligt ten grondslag
a. de grote hoeveelheid verschillende cytokines die T cellen kunnen maken
b. de grote verscheidenheid aan antigeen receptoren
c. de grote verscheidenheid aan zware en lichte ketens van antilichamen
d. de grote mobiliteit van lymfocyten door alle weefsels
Antwoord: b
67. De eerste cellen die bij een ontsteking uit de bloedbaan treden zijn:
a. erythrocyten
b. granulocyten
c. monocyten
d. lymfocyten
Antwoord: b
68. De adhesie van granulocyten aan de vaatwand verloopt middles interactie van:
a. ICAM-1 op de granulocyten en LFA-1 op het endotheel
b. ICAM-1 op het endotheel en LFA-1 op de granulocyten
c. MAC-1 op de granulocyten en de extracellulaire matrix van de vaatwand
d. ICAM-1 en Fc-receptoren op het endotheel
Antwoord: b
69. Een longembolie:
a. kan onmiddellijk dodelijk zijn
b. ontstaat meestal in het vaatstelsel van de darmen
c. ontstaat in een arterieel vaatbed
d. loopt vast in de longvenen
Antwoord: a
70. Een man wordt aangereden en loopt een open fractuur van zijn femur op. Hij wordt liggend op straat aangetroffen en per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. In de ambulance ontstaat acute kortademigheid en shock. De meest waarschijnlijke oorzaak is
a. tromboembolie uit de kuitvenen
b. tromboembolie uit de vena cava
c. luchtembolie
d. vetembolie
Antwoord: d
71. Welke van de volgende vier beweringen is JUIST?
a. De epifysaire lijnen bestaan uit actieve osteoblasten
b. De epifysaire lijnen geven de plaats aan van oudere fracturen
c. Het systeem van Havers (osteon) bestaat uit botlamellen gerangschikt rondom
het centraal kanaal.
d. De diafyse van een lang pijpbeen grenst direct aan de epifyse.
Antwoord: c
72. Welke van de volgende vier beweringen is JUIST?
a. Het verouderingsproces van de beenderen is een gevolg van veroudering van
het beenmerg.
b. Osteoporose uit zich als verlies van botweefsel in zowel de epifyse als de
diafyse van lange pijpbeenderen.
c. De morfologie van de beenderen ligt vast zodra het volwassene stadium is
bereikt.
d. Actieve beweging beinvloedt nauwelijks het herstel van botweelsel bij de
volwassene na een fractuur.
Antwoord: b
---
Date: Wednesday 26 February 2003
Time: 12:04:16
Resultaten:
Van de 72 vragen heeft u er 21 bij de eerste poging juist beantwoord.
De volgende vragen heeft u fout beantwoord:
2 3 5 6 7 9 10 11 14 17 19 23 24 25 26 27 28 30 31 32 34 35 36 37 38 39 40 41
42 43 44 46 47 48 51 52 53 56 57 58 60 61 62 63 64 65 68 69 70 71 72