Histologie

Lysosomen: zorgen voor afbraak van ongewenste dingen.

Membranen:

-         donkere rand (hydrofyl gedeelte)

-         lichte rand (hydrofoob gedeelte)

-         donkere rand (hydrofyl gedeelte)

 

Membraan opgebouwd uit fosfolipiden.

Trilaminair membraan: hydrofyl-hydrofoob-hydrofyl

 

Endoplasmatisch reticulum (letterlijk netwerk in een cel):

-         ruwwandig

-         gladwandig (vreem uitziende mitochondrien)

Endoplasmatisch reticulum vooral gebruikt voor het maken van eiwit dat geexporteerd wordt uit de cel.

zwarte puntjes aan membranen zijn ribosomen (eiwitfabriekjes).

 

Eiwit aanmaken:

-         mRNA afgelezen (copy van DNA)

-         mRNA vertaalt in cytoplasma

-         Subunit van ribosoom bind aan mRNA

-         Dan binding van tRNA (met aminozuur)

-         Vervolgens koppelt ribosoom aminozuur aan eiwit keten

-         Eerste is altijd Methionine!

 

MRNA:

Signaal frequentie daaraan bind signaal herkennings eiwit (signal recognition particle), en dat leidt het eiwit naar het membraan van het endoplasmatisch reticulum

 

Golgi apparaat:

-         cis kant is kant van endoplasmatisch reticululm waar eiwitten binnenkomen

-         trans kant is andere kant.

-         Vesicles komen uit ER en versmelten aan ciskant van golgiapparaat en gaan dan vervolgens naar het eerste lamel van het golgiapparaat.

-         Doorgeven binnen golgi apparaat is afgeven van vesicles en versmelten met volgende lamel.

-         Trans golgi netwerk daar vind een sortering plaats van type eiwitten.

        gereguleerde secretie route

        niet gereguleerde of constitutieve secretie route

        lisosomale route)

-         In verschillende lamelen bewerkingen van verschillende eiwitten. Bv Monnose wordt gefosforyseert. In de laatste lamel zitten speciale receptoren voor soorten zoals bv Monnose. De receptoren zorgen er dus voor dat de eiwitten uiteindelijk op de juiste plek terrecht komen.

 

Endocytose: wordt een blaasje gemaakt van membraan en die gaat de cel in. (De cel in)

Exocytose: blaasje fuseert met cytoplasma membraan en dan kan de inhoud van het blaasje naar buiten. (de cel uit).

Fagocytose: opeten van ongewenste dingen bv bacterie. De cel die het doet heet macrofaag of veeleter. (= gespecialiseerde vorm van endocytose)

Receptor gemedieerde endocytose: ligand bind aan specefieke receptoren, en ligand komt in clathrin laagje de cel in . En laat vervolgens weer los, Dan gaat de ligand met een stukje membraan eromheen de cel in, het blaasje splits zich in een stukje membraan waar de receptoren opzitten en dat fuseert weer met het membraan. De ligand fuseert met ligosomale blaasjes, de lisosomen breken het af en de waardevolle stoffen blijven in de cel.

 

Lysosomen:

-         lage pH ongeveer 5.0

-         proteolitische enzymen (eiwitten die proteines kunnen afbreken):

        lipases (vetten)

        proteases (proteinen)

        nucleases (nucleinez)

        sulfatases

-         ontstaan door afsnoering van golgi apparaat

 

 

Peroxisomen: (donker door microscoop)

-         ontstaan door splijting (fission)

-         catalase: kan zuurstof radicalen maken (O) en die worden o.a. gebruikt om microorganismes te doden.

-         Eiwitten vrije ribosomen transport enzymen over membraan.

 

Mitochondrien:

-         ongeveer 2000 per cel

-         ze maken ATP

-         Ze kunnen ook bepaalde eiwitten maken, ze hebben dus ribosomen

-         Eigen DNA (uniek voor dit organel) ze kunnen dus mRNA maken. Het DNA codeert ongeveer voor 13 eiwitten, de overige eiwitten worden aangeleverd door het cytoplasma van de cel waarin hij zit, de overige zijn de nuclair gecodeerde eiwitten.

-         Ontstaan uit symbiose van bacterie met eencelig organisme.

-         Ze delen zich actief bij celdelingen worden ze verdeeld en delen ze vervolgens als er 2 cellen zijn.

-         Mitochondrien: energiefabrieken van de cel en de steepjes die je ziet zijn inplooingen van het binnenste plasmamembraan (karakteristiek voor mitochondrien).

 

 

 

 

Cytoskelet:

-         dunste kleinste actin filaments

-         intermediar filamenten

-         Microtubuli (grootste)

 

Intermediair filament:

-         8 draadjes (filamenten) vormen samen 1 dikke draad voor de stevigheid.

Microtubuli:

-         bestaat uit tubiline (eiwit) zowel

-         opgebouwd uit cirkels die samen een buisje vormen.

-         Werkt als een soort rails (transportsysteem)

        kinesines loopt met pootjes over microtubuli heen

        dynesines werkt ongeveer het zelfde en zorgt voor terugtransport.

-         Ze zijn gepolariseerd

Dunne filamenten:

-         actine: monomeren vormen een soort helix van 2 draden om elkaar (komen in spieren voor en zorgen samen met myocine voor contractie)

 

 

4 grondweefsels:

-         epithelia (bedekend weefsel)

-         bindweefsel (bevind zich tussen de verschillende weefsels, bv pezen en bloed)

-         spierweefsel (beweging)

-         zenuwweefsel (communicatie en coordinatie)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Epitheel weefsel:

-         niet doorbloed

-         bestaat uit aaneengesloten cellen

-         gepolariseerd

-         afkomst:

        enctoderm huid

        endoderm darmepitheel

        mesoderm nieren, geslachtsorganen

-         Oppervlakte

        Microvilli (zit vast aan cytoskelet figuur in boek)

        Cilien (trilharen)

-         lateraal

        hechtstructuren

         tight junction (buitenste lagen van membranen fuseren, vloeistoffen, bacterien etc kunnen er niet doorheen, en loopt helemaal rond de cel dus hermetisch afgesloten)

         zomila adherentes (met actine filamenten, die zorgen voor stevige verankering aan cytoskelet. (sterker dan tight junction) Ook de hele cel rond.

         macula adherentes (desmogleins hechten de membranen aan elkaar vast en aan de buitenkant zitten intermediate filamenten heel stevig dus)

         Gab junction (kanaaltjes die van de ene naar de andere cel lopen en daardoor kunnen kleine molecuultjes doorheen)

 

-         Basaal (onderkant)

        basaal membraan (voor hechting van epitheel op onderliggende bindweefsel en ook voor cel-cel interacties.

         Hemi desmosomes (aan de onderkant van de cellen met receptor eiwitten)

 

Verschillende soorten epitheel:

-         Squamous

-         Cuboidal

-         Columnar

-         Single (1 laag)

-         Meerdere lagen.

-         Keratinized (verhoornd)

 

 

 

 

 

 

 

 

Klierafgifte:

-         Holocrine (hele cellen gaan dood en zitten vol met secretie vloeistof

-         Merocrine (normaal met kleine vesicles ?)

-         Apocrine secretie (bv bij melk vetachtige stoffen moeilijk in membraan te verpakken en ze snoeren een stukje van hun cytoplasma af met melk daarin)

 

Afgifte:

-         Endocrine signaling (afgifte aan bloedbaan bv hormoon)

-         Parcrine signaling (afgifte aan andere cel)

-         Autocrine signaling (afgifte aan zichzelf)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bindweefsel

-         cellen met veel tussenruimte en tussenstof

        Bindweefsel (proper) = vezels etc

        Been en kraakbeen weefsel

        Bloed en lymfe weefsel

-         gemeenschappelijke afkomst (mesenchym = embryonale cellen met dun laagje cytoplasma en uitlopers, hieruit differentieren een groot aantal cellen)

        vetcel

        fibroblasten (meestal vrij lange cellen met uitgebreid endoplasmatisch reticulum, ze maken vezeltjes die ze uitscheiden (figuur 4.7)

        mestcel

        chondroblasten (kraakbeencellen)

        chondrocyten (kraakbeencellen)

        osteoblasten (beencellen)

        osteocyten (beencellen)

-         tussenstof

        grondsubstantie

         glycosaminoglycanen = GAG (dit zijn suikers repetitieve dissachariden aminozuren uronzuur)

         proleoglycanen (figuur 4.3)

        compressie

        voorkoming verspreiding microorganismen

         adhesive glycoproteinen (plaajte I)

        binding aan syndecans, imlegeinen

        binding aan collagen vezels

        binding aan proleoglycanen

        vb fibronectines

        vb chondrotines

        vb osleotines

        vb laminestines

 

 

        vezels (figuur 4.5) (zijn eiwitten)

         3 tal moleculen

         triple helix

         fibrillen

         vezel

         bundel vezels (maakt bv contact met spier)

 

Collageen 15 verschillende soorten (nauwelijks rekbaar):

-         type I (vezelbindweefsel (bv pezen en bot) = belangrijkste)

-         type II veel dunnere vezels (bv kraakbeen)

-         type III (retuculaire vezels (bv lymfeklieren))

-         type IV (bv basaal membraan)

-                     type VII (ankerfibrillen (overgang basaal membraan en collageen vezels)

 

Elastic fiber (figuur 4.10)

-         eiwit is elastine

-         binding aan syndecans, imlegeinen

-         binding aan collagene vezels)

-         binding aan proleoglycanen ng

 

Basaal membraan: is geen membraan maar gespecialiseerde laag van vezels en eiwitten.

Opgebouwd uit: (figuur 4.13)

-         Basale lamina (2 samen is basale membraan)

        Lamina lucida

        Lamina densa

-         Lamina reticularis (fibroblasten)

-         In membraan van epithelial cel zitten een aantal transmembraaneiwitten (syndecans en integrines) die binden aan de binnenkant van de epithelial cel aan bv actin en aan de buiten kant aan laminine. Lamine bind weer aan GAGs type IV Daaraan kunnen weer de anchoring fibres vastzitten. (GAGs aan elkaar verbonden door core eiwitten)

 

Lichte kern is kern van actieve cel donkere kern is kern van inactieve cel.

 

Kraakbeen: (figuur 7.1 en 7.2)

-         niet doorbloed dus voedingstoffen door diffusie en meeste processen anaeroob.

-         Elastisch kraakbeen naast collagene weefsels ook elastische weefsels

-         Extracellulaire matrix van kraakbeen:

        GAG

        Proteoglycanen

        Adhesive glycoproteine chondro nectine (bind bv aan proteoglycanen en een vb daarvan zijn de chondroitinesulfaten complex zorgt dan voor water aantrekking, 70-80% uit water = moeilijk samendrukbaar)

-         groeien:

        vanuit perichondrium = appositie(tekening II)

        delen van cellen in matrix = interstitiele groei

-         3 typen kraakbeen:

        hyalien kraakbeen

        elastisch kraakbeen

        fibreuze kraakbeen

-         perichondrien is vlies rond kraakbeen dat kraakbeen kan vormen. Net gemaakt door perichondrien heet chondroblast

-         in lacunen licht kraakbeencel (dus lacunen zit rond kraakbeencel) in lacunen heet het chondrocyt

 

 

Matrix is ruimte buiten de cellen

 

 

 

Bot:

-         hard door afzetting van Ca-zouten

-         doorbloed door kanaaltjes

-         alk = mesenchym

-         bestaat uit cellen met tussenstof, cellen in het bot osteocyten die dus in de tussenstof (matrix) liggen in zogenaamde lacunnes (holtetjes) Calciumfosfaat is tussenstof.

-         Botvormers = osteoblasten, osteocyten delen zich niet meer omdat ze zitten opgesloten in het bot.

-         Matrix

        GAG

        Proteoglycanen (osteocalcine: eiwit dat Ca kan binden)

        Collageen type I

 

-         Botvorming door osteoblasen:

        Collagene vezels en grondsubstantie afzetten

        Impregnatie door Cafosfaat (belangrijkste) en Cacarbonaat

-         Bot omgeven door een vlies dat periost wordt genoemd. Rond het bot zit een vlies behalve bij de gewrichtskraakbenen. Zodra het bot niet omgeven is door gespecialiseerde cellen wordt het afgebroken door Osteoclasten (zijn multinucleair)

-         Afbraak door Osteoclasten:

        Afbraak van Ca zouten en koolzuuranhydrase

        Afbraak van eiwitten (bv collageen) dmv een mengsel van enzymen: proteasen.

        Opname van de eiwitrestanten door de osteoclast

-         op de plaatsen waar er druk op het bot wordt uitgeoefend staan de botspannejtes dicht bij elkaar.

 

Bot

-         pijpbeen (bv in arm been) Ontstaan vanuit een kraakbenig voorstadium = endochondrale verbening

-         platte beenderen schedelbeenderen en ribben ontstaan rechtstreeks uit bindweefsel (ontsaat uit vliezen en wordt ook wel intramembraneuze verbening genoemd)

-         Osteoblasten geven tussenstof af

-         Osteocyten: volledig omgeven door tussenstof

-         Fibroblasten Osteoblasten (tussenstof afgeven) Osteocyten

-         Figuur 7-13 laat het zien van rechts naar links.

 

 

 

 

 

 

 

-         Vorming Tekening III:

        Chondrocyten worden groter: hypertrophieren

        Kraakbeen matrix verkalkt met Ca2+

        Vascularisatie van het perichondrien (bloedvaten erheen)

        Tegen kraakbeen worden osteoblasten afgezet

        Chondrocyten sterven af (omdat er geen voedingsstoffen meer bijkunen komen door de muur van osteoblasten.

        Bloedvaten dringen naar binnen

        Osteoblasten zetten bot af tegen de kraakbeenmatrix

        Osteoclasten ruimen de verkalkte kraakbeenmatrix op.

        Er zit nog een kraakbeen laag tussen de stukken bot tot in je pubertijd, zolang kunnen je botten nog groeien daarna niet meer, verdwijnt onder invloed van hormonen.

-         Lentegroei:

        Rustzone

        Proliferatie zone

        Maturatie en hypertrofezone

-         in bot zit compact bot en spongeeus bot (waar grootste kracht op komt komt compact bot (zijn ietsje sterken dan spongeeus bot)

-         Osteoclasten graven door bot heen om bloedvaten aan te kunnen leggen maar ze graven een veel te groot gat, om de verloren ruimte op te vangen worden er concentrische lamelen van osteocyten afgezet. Een hoofdbloedvat wordt een kanaal van Havers genoemd en een dwarsverbinding wordt het kanaal van Volckman genoemd. Het systeem van de concentrische lamelen wordt een Osteon genoemd (=systeem van Havers). Bovenaanzicht van een Osteon: in het centrum het kanaal van Havres en dan een soortjaarringen van lamellen en aan de buitenkant cement.

-         Vitamine D opname van Ca2+ + PO43- vanuit darm engelse ziekte

-         Vitamine A en C invloed op vorming van botmatrix

-         Parathyroide invloed op afbraak van bot stimulatie van Osteoclasten

-         Calcitonine stimuleert de botvorming via osteoblasten

-         Groeihormoon stimuleert de epifysair schijven.

-         Oestrogenen Osteoblaten (proces dat botten broos worden bij vrouwen osteoporose

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Spierweefsel:

-         3 typen: (figuur 8-2)

        dwarsgestreept of skelte spierweefsel (1 spiercel wordt ook wel een spiervezel genoemd en is multicellulair)

        glas spierweefsel (unicellulair)

        hart spierweefsel (is dwarsgestreept maar heeft principieel een heel andere structuur)(unicellulair)

 

gefuseerde cellen (in embryogenese) bij 10 mm embryo is alles al aanwezig bij dwarsgestreepte spieren.

Rode spieren myoglobine en ze kunnen langdurig arbeid verichten maar ze zijn niet zo snel.

Witte spieren zijn sneller maar bevatten minder myglobine en halen hun energie ook uit anaerobe reacties.

 

Dwarse streping van spieren bestaat uit een soort

 

Detail myofibril:

Actine en myosine

Sacromeer wordt gevormd door 2 structuren: de z membranen

Tussen de actine filamenten zitten de myocine filamenten (dikker) (figuur 8-8)

Tekening IV:

Sliding filament hypotheses: de z-membranen kunnen naar elkaar toe schuiven:

Spelers:

-         myosine (de kop kan ATP binden en heeft een bindingsplaats voor actine)

-         (F) actine

-         tropomyosine keten

-         tropine 3 subunits:

        Tnt bind aan tropomyosine

        TnC bind aan Ca2+

        TnI verhindert interactie actin-myosin

 

Tekening V en boek figuur (8-10)

 

 

Van gladde spieren hoeft niet bestudeerd te worden:

Contraction of smooth muscle, tot blz 153 Regeneration of muscle

 

Hartspierweefsel:

-         is dwarsgestreept maar unicellulair (in princiepe)

-         de cellen zijn heel erg doorbloed

-         ze zitten met speciale structuren aan elkaar vast: intercallair schijven. (geplooide celmembraan die met desmosomen heel sterk aan elkaar vast zitten)

 

Gladde spiercellen:

-         onder invloed van autonome zenuwstelsel (niet te besturen dus)

Zenuwstelsel:

-         Centraal zenuwstelsel (centraal ruggemerg, hersens)

-         Perifeer zenuwstelsel (alle uitlopers uit het ruggemerg)

 

Zenuwcellen

-         Dendrieten (ontvangen electrische informatie)

-         Axon (informatie doorgeven)

-         Myaline schedes: gespiraliseerde membranen die rond de axonen zitten die ervoor zorgen dat een inpuls razens snel kan verlopen.

-         Synaps: plaats waar impuls overdracht plaats vind.

 

Glyacellen: (figuur 9-9)

-         astrocyten (bv voor vormen van scheiding tussen bloed en hersenen)

-         oligodendrocyten (in CNS, vormen myeline schede) (figuur 9-6)

-         Schwann cellen (in PNS)

 

Figuur 9-14

 

Op een plaatje kun je altijd de neurotranmittor zien liggen dus zo kun je weten wat het post en wat het pre synaptische gedeelte is.