GENETICA


College 1


Genetica houdt zich bezig met alle organismen:

- Prokaryoten (virussen/bacterien)

- Eukaryoten (gisten/schimmels)


Niveau:

- Moleculair (aard en functie materiaal variatie

- Cellulair (kern en celdeling, replicatie en bevruchting)

- Organismaal (overdracht genetisch materiaal)

- Populatie (genetische structuur van populaties en evolutie)


DNA à RNA à EIWIT (aminozuren)


Interesse in verschillen die leiden tot een afwijking.


College 2 (erfelijk materiaal)


Bacterie is altijd haploid.

Bij mens alleen gameten (geslachtscellen) haploid.


DNA is erfelijk materiaal. (macro moleculen)

Bewijsvorm van DNA komt van bacteriën.


2 soorten streptokokken :

- Met celwant

- Met celwant zonder omhulsel


Maakte de bacteriën met celwant dood en voegde prutje toe aan bacteriën zonder celwant, resultaat: de bacteriën zonder celwant kregen ook een celwant en die bleef erfelijk.

Protinase breekt eiwitten af… prutje doet nog steeds zijn werk. Vervolgens uitsluiten van lipiden, koolhydraten. Uiteindelijk bleken de nucleïnezuren de DNA te bevatten, als hij nuclease toe voegde veranderden de cellen niet meer genetisch.


DNA: 2 draden spiraalvormig om elkaar heen zitten en met elkaar verbonden zijn. (1954)






DNA 4 bouwstenen (nucleotiden):

- 2 Purine nucleotides

- 2 Pyrimidine nucleotides (stikstofbase 6 ring)


A tegenover T (hoeveelheid A = T)

G tegenover C (hoeveelheid G = C)


Tussen A en T zitten 2 waterstofbruggen

Tussen G en C zitten 3 waterstofbruggen


Hoe meer waterstofbruggen hoe hoger verhitten voor uit elkaar trekken.


Ketens aan zijkant hebben polariteit. (3' en 5')


Maken van RNA = transcriptie


Gen:

- Regulatory region for transcription initiation (begin en gen aan of uit)

- Coding region

- Transcription termination signals (eind van gen signaal)


Coding region in Eukaryote is niet aaneen gesloten (tussen stukken coderen niet voor Aminozuren en heten introns) Exons zijn de stukjes die wel coderen.


Diploïd : elke cel heeft 2 genomen.


Bacterie: genen netjes achter elkaar geen introns

Gist: Lineair gerangschikt en af en toe een intron

Drosophila: Bijna elk gen heeft een intron en de ruimte tussen genen varieert.

Mens: Heel veel introns in de genen en er zijn grote stukken tussen de genen (junk DNA)


Kb = Kilobase


Virussen eigenlijk geen organisme kan zichzelf niet vermenigvuldigen heeft gastheercel nodig en is dus eigenlijk parasietaal organisme.



Chloroplasten en mitochondrien DNA = cirkelvormig (prokaryotisch ?)

In celkern DNA = lineair


Plasmiden zijn kleine cirkelvormige DNA moleculen.


Verdubbelen: Spiraal ontwind en tegen over elke A komt een T en tegenover elke G komt een C en omgekeerd zodat er weer 2 nieuwe spiralen ontstaan. Semi-conservatieve replicatie.


10 % A dan ook 10% T dus 80% C + G à C = G = 40 %


Spiraal = DNA

Golvende Lijn = RNA

Soort telefoonlijn = EIWIT


Replicatie van Nieuw DNA gebeurt altijd van de 5' kant naar de 3' kant. (begint bij 5' te bouwen)


Leading strand syntheses = Gewoon van af de ontwinding erbij werken.

Lagging-strand syntheses = degene die terugwerkt van af de ontwinding naar begin


DNA polymerase heeft startcodon nodig. Gebruikt ook wel RNA primer


RNA primer ertussen

Na aanmaken van DNA haalt hij de RNA primer eruit

Ligase maakt de stukjes aan elkaar.


Eukaryoot Start op meerdere plaatsen tegelijk met replicatie.

Krijg je uiteindelijk 2 chromatiden die aan elkaar zitten en pas bij de deling uit elkaar gaan.


Chromosomen onderscheiden:

- Lengte / Grootte

- Lengte korte arm en lange arm (plaats van centromeer)

- Kleuring


Euchromatin daarin liggen heel veel genen

HetroChromatin daarin liggen heel weinig genen.


Genoom is totaal van chromosomen. = n


Histone Octomeer Daarom wind de DNA sliert zich

Bolletje met opgewonden DNA zijn nucleosomen

Nucleosomen winden in elkaar tot solenoid.

Solenoid vormt lussen en hechten aan aan eiwit (scaffold)

Scaffold + Solenoid gaat weer tot spiraal.





College 3


DNA wordt altijd bij een van de ketens afgelezen. De kant die wordt afgelezen heet template DNA


mRNA wordt uiteindelijk vertaald in eiwit.

rRNA

tRNA


Transcriptie is DNA à RNA

Translatie is RNA à Eiwit


Verschil DNA + RNA

- DNA is dubbeldradig RNA is enkeldradig

- RNA heeft ribose en DNA heeft deoxiribose

- DNA heeft (ATGC) RNA heeft (AUGC)


RNA Polymerase synthetiseert RNA.

RNA synthese gaat ook van 5' naar 3'


Promotor is typische sequentie van nucleotiden die herkent wordt door RNA polymerase.


Hoe beter de sequentie lijkt op de sequentie bij figuur 3.7c (blz 57) hoe sterker de promotor is.


Hairpin stuctuur: lus komt door aantrekking A-U en G-C als RNA polymerase zo een lus ziet dan laat het los en stopt dus de synthese. Figuur 3.8 (blz 58)


Figuur 3.9 (blz 59) Poly A staart wordt gemaakt. A staarten zitten aan mRNA en niet aan andere soorten RNA.


mRNA uit genen halen maak je gebruik van de A staart van RNA door stof erbij te doen met een hele rij T of U dus dan "plakt" alleen het mRNA aan de stof en de andere soorten RNA blijven zitten.


Introns worden begrenst door GU A AG als deze sequentie niet aanwezig is gaat het fout.

(figuur 3-10 blz 59)


Splicing hoef je niet te leren alleen weten dat er nucleotiden zijn aan de grenzen van de intron en eiwit dat intron eruit knipt.


Tussenstap: DNA à RNA à EIWIT is nodig omdat de DNA in de kern zit en de informatie naar het cytoplasma moet en dat is RNA


Eiwit is een reeks aminozuren. De aard en volgorde van aminozuren bepalen de functie.

Veel eiwitten hebben een Katalytische functie (enzym)

20 verschillende aminozuren. (niet uit je hoofd leren)


Verbinding aminozuren is een peptide binding en ontstaat door afstaan van OH en H (H2O) en er ontstaat dan een binding tussen C en N (figuur 3.15 blz 62)


Aminozuur: (blz 63)

- Primary structure

- Secundary structure

- Tertiary structure

- Quaternary structure


3 nucleotiden is een codon

een codon zorgt voor de inbouw van 1 aminozuur. (figuur 3.17 blz 64)


kennen:

- startcodon = AUG

- stopcodon = UAA UAG UGA


Transfer RNA zorgt voor aandragen van Aminozuren op de juiste plaats (via anticodon)


Ribosoom is een deeltje dat bestaat uit een groter deeltje en een kleiner deeltje

Is een complex van veel eiwitten en rRNA


Ribosomen stappen om mRNA en gaan eiwitten synthetiseren beginnen bij startcodon en eindigen bij stopcodon.


Shine-Dalgarno zorgt ervoor dat mRNA precies goed bij kleine subunit door middel van hybridisatie


Mutatie in Intron komt ook in RNA en wordt er dan uit gespliced dus daar zie je niks van terug dus het heeft geen effect op het eiwit. MAAR al zit de mutatie aan de grens van een intron dan tast hij de splicing site aan (code) en dan wordt het stuk er niet uit gespliced.







College 4 (hoofdstuk 14)


Positieve regulatie (eiwit betrokken die heel bewust genexpressie stimuleert)

Negatieve regulatie (eiwit betrokken die heel bewust genexpressie remt)


Eiwit kan binden aan operator daaraan kan bij positieve regulatie een Activator en bij negatieve regulatie een repressor aan binden.


Niet altijd een repressor of activator aanwezig.


Signaal voor eiwit of ie actief of inactief moet worden. Eiwit is inactief maar met effector molecuul wordt het actief.

Bij negatieve regulatie wordt er niks afgelezen zonder effector erop.


Figuur 14.3:

Lactose in het medium dan komt het op de repressor te zitten en inactiveert de repressor en dan komt er RNA synthese en vervolgens de enzymen.


Figuur 14.5:

Basisprincipe van Lactose operon.



Structual genes zijn genen die een enzym maken.


Cis is werken op hetzelfde genoom

Figuur 14.8 = mutatie in de operator waardoor het repressor eiwit niet kan binden aan de operator.


Glucose: geen cAMP

Weinig of geen glucose: veel cAMP


cAMP bind aan DNA dan kan RNA polymerase beter binden en komt er dus sneller RNA


Tabel is het induceerbaar of uninduced.


KIJK naar filmpje is goed.


Constitutieve synthese: wel synthese maar geen lactose aanwezig. Dat komt omdat de operator kapot is en het repressor eiwit dus niet kan binden.


Is Dan is er iets kapot aan de repressor zodat lactose de repressor niet meer kan inactiveren. Dus helemaal geen synthese.


Dit alles was voor prokaryoten (bij prokaryoten negatieve regulatie)

Bij Eukaryoten vind je voornamelijk actieve regulatie en je vind geen operon


Hormonen kunnen genen "aan" zetten…

Werkt via bloed waar ze moeten werken.


Grote A kleine a werkt niet altijd omdat een gen dat inactief is kan inactief blijven bij overerving. Dus vb figuur 14-36 Methyleren. Epi-genetica. Luistert niet naar de wetten van Mandel


TABEL -lac -gluc +lac -gluc -lac +gluc +lac +gluc reguleerbaar
I+P+O+Z+ - ++ - ++ +
I-P+O+Z+ ++ ++ + + -
I+P-O+Z+ - - - - -
I+P+O-Z+ ++ ++ + + -
I+P+O_Z+/

I-P+O+Z+

++ - ++ ++ + - + + -



College 5


Geen kern en 1 cirkelvorm chromosoom = prokaryoot


Figuur 4-6:

G1 is voor de DNA replicatie

S is de replicatie

G2 is na de replicatie (dus dubbel DNA)



Verschillen mitose en meiose:

- Bij mitose leggen chromosomen naast Elkaar in equatorvlak bij meiose tegenover elkaar.

- Bij meiose splitsen centromeren zich niet.

- Tussen de eerste en 2e deling is geen DNA synthese bij Meiose. (geen replicatie)



Het 4-streng stadium (profase 1) is tegenover elkaar liggen bij meiose. Daar vindt crossing-over plaats.

Synapsis = complex van 4 strengen


Figuur op blz 99 niet alles leren alleen interfase profase anafase telofase interfase. Hou het simpel


Recombinatie = een nieuwe combinatie van erfelijke eigenschappen.


Mitochondrien is niet selfsupporting… Heeft wel DNA voor bijvoorbeeld nuttige eiwitten maar heeft ook vaak eiwitten die ergens anders vandaan komen nodig.

Die eiwitten moeten dan geïmporteerd worden.


Zaadcellen zijn veel kleiner dan eicel en hebben geen tot weinig cytoplasma mee en geen mitochondrien DNA in te brengen Dus bijvoorbeeld met witte en groene bloemen. De Eicel bepaalt dus of er wel of geen kleur is. (Figuur 4-30) = Maternaal overerfen


4 ketens (2 dubbele) er zijn dus 4 mogelijke crossing overs.


Chiasmata à zichtbare manifestatie van crossing-over


Figuur 5-2 is nog geen crossing over maar independent assortment of random assortment.


Independent assortment + crossing over + mutaties zorgen samen voor de verschillende mogelijkheden.


Blz 62 van je sylabus


A B C


Dan:


AB = 10

BC = 6

AC = 16


Figuur 5-18 moet je de enzymen kennen.


Belangrijk: initiatie en terminatie van transcriptie en translatie


Somatische cellen = gewone cellen (2n)

Geslachtscellen = bv kiemcellen (n)





College 6


Figuur 6-1 Complementatie test:

- Wit à mutaties in hetzelfde gen gelegen. (no complementatie)

- Blauw à mutaties in verschillende genen. (complementatie)


Ook leuke animaties hierbij.


Lekke mutatanten Kunnen nog wel wat doen maar veel minder dan eerst (roze bloem)


Penetrantie in fenotype is in hoeverre het genotype tot uiting komt (bv 50%)

Figuur 6-18


Transitie is een mutatie waar bij een purine vervangen wordt door een andere purine of een pyrimidine vervangen wordt door een andere pyrimidine


Transversion is een mutatie waarbij een purine wordt vervangen door een pyrimidine of andersom.


Dit zijn puntmutaties: 1 base paar wordt vervangen.


Silent mutation: heeft geen consequenties op eiwit niveau


Missense mutation wordt een codon veranderd door een ander codon en dus krijg je een eiwit dat veranderd is. En vaak ook niet meer actief.


Nonsynonymous missense mutation: NIET KENNEN


Nonsense mutation: een codon wordt vervangen door terminatie codon. Einde eiwit.


Reverse mutation is een mutatie die weer terugmuteert naar wilde typ

Equivalent reversion is een mutatie naar een codon en daarna weer naar een ander codon dat voor hetzelfde aminozuur codeert als het wilde type.


Suppressie is het onderdrukken van een mutant fenotype. Maar 1 voorbeeld kennen: Supressie van een nonsense mutatie (2e mutatie in het tRNA (het tRNA muteert zo dat het precies op een stopcodon past, dan kan er dus op de plaats van het stopcodon een aminozuur komen en kan het eiwit verder gesynthetiseerd worden. Ook een leuke animatie hierbij.


UV kan mutaties veroorzaken.


2 manieren mutaties in DNA: chemische reactie of fout tijdens replicatie of synthese (vb figuur 7-4 is voor fout tijdens replicatie)


3 herstelmechanismes voor mutaties:

- enzym photolyase + wit licht maakt mutant photodimer terug naar thymine (figuur 7-21) Er is ook een animatie bij.

- Excisie repair.(figuur 7-24)

- Post replication repair (figuur 7-35)


Regulatie mutanten: bijvoorbeeld repressor mutaties of operator mutaties. Zoeken naar regulatie mutanten om bijvoor beeld een eigenschap te versterken zoals altijd veel antibioticum produceren.


Mutaties in somatische cellen zijn niet overerfbaar

Mutaties in geslachtcellen zijn wel overerfbaar (niet altijd natuurlijk denk aan Aa etc)


Figuur 7-31 daar is mutatie opgetreden toen appel nog uit 2 cellen bestond: dus de helft is dan gemuteerd.



College 7



Hoofdstuk 8


Polyploidy: alle chromosomen meerdere n dus bijvoorbeeld 3n 4n 5n 6n etc.

Allapolyploidy: is 1 chromosoom meer aanwezig

Euploid is gewoon.

Zie blz 237


Toevoegen van colchicine dan komen er geen spoeldraden en worden de chromosomen dus niet uit elkaar getrokken. (figuur 8-3)


Je kan ook polyploidy tot stand brengen door kruisingen (figuur 8-6 en 8-7)


Figuur 8-8 = haploide planten maken en weer terug


Voorbeelden van maffe mensen (figuur 8-11 / 8-13 en 8-14)


Henderson dictionary of biologycal terms


Figuur 8-16


Illegale recombinatie: crossingover tussen niet homologe chromosomen


Al deleties inversies translocaties en duplicaties ontstaan door illegale recombinatie


Inversie onderdrukt altijd het ontstaan van crossovers.(zie animatie)


Figuur 8-27 en 8-28


Hoofdstuk 9


Bacteriën planten zich ongeslachtelijk en geslachtelijk voor.


Drie manieren om DNA uit te wisselen.

- Conjugatie

- Transformatie

- Transductie



Conjugatie

Het overdragen van DNA door cel cel contact is te wijden aan

Figuur 9-3 (b) F pili zijn genen die voor verbindingen zorgen. Rolt af als enkeldradig DNA en moet dus daarna dubbeldradig worden.


F-plasmide kunnen integreren in het chromosoom (crossing over) (figuur 9-4)

Dan gaat hij chromosoom afrollen en dus ook van chromosoom DNA overdragen maar zeer lage frequentie (1:10000) (figuur 9-5)

HFR - high frequentie is met geïntegreerd plasmide.



Lac- = niet in staat lactose op te nemen en te gebruiken. (tabel 9-1)


Figuur 9-7 en 9-8 methode om te kijken hoe snel genen gaan en kijken op welke tijdstippen ze binnenkomen en de relatieve afstanden tussen de genen bekijken


Figuur 9-9


Figuur 9-11 zo kun je partieel diploïde cellen maken.


Transformatie

Opname van Naakt DNA door de cel uit het medium.

Figuur 9-12 kijken hoe snel DNA wordt opgenomen.


Transductie

DNA overdracht mbv een bacterieofaag (bacterie virus)

Figuur 9-13 Eiwitten blijven buiten, uitsluitend DNA komt de cel in.

Een virus brengt zijn DNA naar binnen à dan repliceert het DNA en maakt hij nieuwe eiwitten.(dus nieuwe onderdelen zoals landingsgestel etc) De cel breekt en de nieuwe virussen gaan naar buiten. Zie Figuur 9-16


9-17 alle virussen zijn nu uitgegroeid tot miljoenen virussen dus elke stip is 1 virus geweest oorspronkelijk, zo kun je dus het aantal virussen in een ml bekijken.


Figuur 9-18 recombinatie bij virussen. (en figuur 9-19)


Figuur 9-22 Bacterie DNA in kop van virus (DNA dat virus heeft afgebroken) Hij kan zich dus niet meer vermenigvuldigen maar hij kan wel mooi een andere bacterie helpen met zijn DNA injectie dus kan er een recombinant komen.


Co-transduceren


Figuur 9-23 Mogelijkheden voor virus DNA in een bacterie.


Figuur 9-25 Overzicht van 3 mechanismen.



College 8 (genetic enginering)


Figuur 10-3 Werking van Restriction enzyme Knipt op speciale restrictie plaats Het enzym knipt tussen de A en de G


Table 10-1 Geeft aan waar restricitie enzym knipt, zijn ook die een stomp eind knippen, die gebruiken we liever niet, we willen DNA hebben dat weer kan binden.


Figuur 10-4 Beide stukken DNA (Blauw en Rood) knippen we met hetzelfde restrictie enzym zodat ze de zelfde bindingsites hebben en dus aan elkaar kunnen. Met DNA ligase (maakt suikerfosfaat backbone weer heel)


Figuur 10.5 DNA clonen.


Figuur 10-6


Origin van replicatie nodig (voor replicatie)

Inbouwen een antibioticum resistentie (Kun je checken of ze getransformeerd zijn als je ze op een plaat met antibioticum legt)

Bouwen in gen voor tetracycline resistentie (dus checken of het erin zit met tetracycline)

Gen inbouwen achter bacterie promotor


Er is een animatie bij.

Maken van een library.


Animatie van vinden van bepaalde gen met complementatie. Alleen gal+ vermenigvuldigt zich en uit kolonie kun je het DNA halen. Nu een zuivere DNA met galactose gen.


Probe is stukje DNA waarmee je ander DNA kan herkennen.


Cloneren in bacterien, Bacterie kan geen intron uit RNA te splicen. Alternatief is uitgaan van rijpe mRNA en daarlangs DNA maken en dat DNA gebruiken om te cloneren en komt het DNA dus goed toe expressie.


Animatie bij figuur 10-18 Met radioactieve probe….. met gevoelige film door straling een zwarte streep.


Figuur 10-9 cDNA


Figuur 10-11 Beginnen bij aminozuur om achter DNA te komen.

Hebben een eiwit weten aminozuren dan tripleten

Maken syntetisch DNA en hybridiseren het met probe en pakken stuk DNA dat met probe hybridiseert



Figuur 10-14

Gen inbouwen tegen ziekte bijvoorbeeld

3 mogelijkheden waar gen kan komen.


Figuur 10-19

Zoeken van gen …met behulp van gel en radioactieve probe.


Hoofdstuk 11


Begin plaatje 11 gaat over gen van vuurvlieg ingebouwd achter promotor nu kun je zien waar de promotor aan (stengel) en waar de promotor uitstaat (bladeren) Het vuurvlieg gen is een reporter gen, een gen dat aangeeft of een promotor aan of uit staat.


Reverse genetics: beginnen met DNA dan gen waarvan je niet weet wat het doet slopen en dan kijken wat er in het fenotype veranderd. (figuur 11-1)


Forward genetics: Mutant maken kijken op welk gen / chromosoom en dan kijken welk DNA


Figuur 11-3


Figuur 11-4 genen verstoren: gen isoleren / Functie van het gen


Figuur 11-5 gen van factor 8 kloneren en in bacterie brengen (zonder introns: cDNA) en dan nog een sterke promotor ervoor die dus heel veel RNA polymerase doet en er wordt dan heel veel eiwit gesynthetiseerd En dus ook een sterke RNA polymererase en veel dat doe je door sterke promotor voor de RNA polymerase te zetten.


Figuur 11-9 manieren om DNA in cel te krijgen:

- Transformation

- Projecttile gun

- Injectie

- Virus


Figuur 11-13

Bacterie heeft Ti plasmid (Tumor) en geeft dat over aan plantencel een tumor, je kunt dus ook een gen meesturen naar een plant. Dus de tumor genen vervangen door nuttig DNA en dat wordt dan naar binnen gebracht. (11-14 op blauwe stuk gewenst DNA plaatsen)

Voorbeeld is figuur 11-15


Figuur 11-18

Gen in schaap en dan achter promotor die alleen aanstaat in de melkklieren zo produceert het schaap dus melk met gewenste eiwit


Figuur 11-24

Eicel injecteren dan is het hele dier gemuteerd

In embryo dan maar een deel van de cellen gemuteerd in volwassen stadium

Figuur 11-26

Kijken naar cellen van embryo naar afwijkingen.


Tabel 11-1 ziektes die gedetecteerd kunnen worden



College 9


Hoofdstuk 12 (Genomics)


Figuur 12-1 Technieken om een genoom te analyseren.


Algemene gegevens die je uit genoomonderzoek haalt. (figuur 12-2)


Repetetive DNA dat functioneel is zijn 2 soorten genen aanwezig en genen die in grote hoeveelheden aanwezig zijn. Noncoding funtional sequenses bv voor maken van RNA

Families of coding genes (and related pseudogenes) die coderen voor een eiwit, of bijvoorbeeld histon eiwitten


Figuur 12-4 Hier zie je dat er veel blokken zijn die voor histone coderen. (er is heel veel histone nodig)


Tegenstelling is single-copy-genes. Dan is er maar 1 gen (bijvoorbeeld voor repressor)


Bij de mens is ongeveer 1 a 2 % van DNA funtioneel de rest is spacer DNA


Figuur 12-5 aan uiteinden komen kleine sequenties die herhalen voor dat zijn repetatieve sequenties, de uiteinden zijn Telomeren.

Telomeren spelen een belangrijke rol bij het verouderen. (chromosoom wordt korter en uiteindelijk sterft de cel.)

2 uitzonderingen waarbij de cel niet dood gaat en de telomeren altijd even lang zijn:

- geslachtscellen

- kankercel (blijft maar delen en gaan niet dood)

Ze worden niet verkort omdat het enzym telomerase in staat is om een nieuw stukje DNA er weer aanvast te maken. (zie figuur 12-6)

TOT AAN FIGUUR 12-6 BEHANDELD DE REST VAN 12 NIET !!!


Hoofdstuk 13 (transposable genetic elements)


Springend DNA à bijvoorbeeld transposon er tussen die het aflezen van de kleur hindert, maar waar ze er uitspringen wordt het weer rood Plaatje begin Hoofdstuk 13


Figuur 13-6 Zie lollipop structure

Figuur 13-7 inverted repeat zijn belangrijk voor transposons en 2 insertie sequenties. Genen er tussen zijn vaak voor resistentie tegen antibiotica Transposase laat de transposons springen.


Figuur 13-3 transposons komen veel voor.


Figuur 13-8 is inserted repeats


Figuur 13-9 plasimid met transposon



Transposons en insertie sequenties kunnen springen van en naar elke vorm van DNA die in de cel aanwezig is

Binnen chromosoom

Van ene naar andere chromosoom

Van chromosoom naar plasmide

Van plasmide naar chromosoom

Van chromosoom naar virus DNA en omgekeerd

Van virus DNA naar plasmide en omgekeerd


Figuur 13-10 = rPlasmid (Resistentie plasmid)


Overspringen is niet leuk, want sommige ziektes kunnen zo resistent worden tegen bijvoorbeeld antibioticum


Figuur 13-26 Ook belangrijk denk ik.


Hoofdstuk 15 (Regulation of cell number: normal and cancer cells)


Figuur 15-1 Phosohorylation is het actief of niet actief maken van eiwitten. Kinase zorgt ervoor dat een phospor… aan een eiwit kan gaan zitten.


Figuur 15-2 Cyclus van celdeling. Niet precies kennen.

Voorbeeld: elke fase wordt nauwkeurig gereguleerd, alle fases duren in alle cellen even lang. De overgang van de G1 fase in de S fase. Komt omdat eiwitten in S fase wel aanwezig zijn dus pas in S fase kan hij naar volgende stap.


Figuur 15-3 E2F zorgt voor positieve regulatie. Aan het einde van de G1 fase ontstaat Cdk2-cyclin A en zorgt ervoor dat het eiwit gephosphoriseert wordt, het rode eiwit kan niet meer in het bolletje gaan zitten en gaat genen activeren in de S fase. Als er genoeg enzymen zijn dan begint het proces. De activator bindt aan het begin van de promotor.


Enhancers ontstaan in gebieden die rijk zijn aan cg (cg eiland)


Cel dood is keurig geprogrammeerd in de genen van een cel. Programmed Cel Death (PCD)


Figuur 15-4 Cel dood.


Proteolitisch enzymen, zijn eiwitten die andere eiwitten afbreken.


Figuur 15-21 = samenvatting van celdeling en apoptose……


Oncogenen = kankerverwekkende genen

Normale genen die kankerverwekkende zijn = proto-oncogenen.


Bijvoorbeeld gen dat groeihormoon maakt, als hij te veel groeihormoon maakt dan gaat de cel zich veel te snel delen: een oncogen.


Tumor supressor gen = p53


Er zijn meerdere mutaties nodig om een ongeremde groei te veroorzaken.

- remming moet weg

- moet extra groeihormoon zijn


Tumor krijg je als proto-oncogenen opeens sterker gaan produceren (meer groeihormoon) + de apoptose genen minder produceren (dus opruimingsdienst laat het afweten)


Hoofdstuk 16 (The genetic basis of development)


Figuur 16-1

Figuur 16-2 Regulaties op verschillende niveaus




BORD 6 7 8


Interacties allelen (Hfdst 6)


- Een gen à meerdere fenotypische eigenschappen (cystic fibrosis)

- Meerder genen à een fenotypische eigenschap (bv kleur)

- Complementatietest à Een of meerder genen betrokken bij een fenotypische eigenschap?

- Verschillende effecten van allelen. Incomplete dominantie (Aa wordt roze ipv rood) / co-dominantie (allelen zijn even sterk) / lethale allelen (1 valt eruit bv aa dan alleen nog Aa en AA = 2/3 : 1/3)

- Interactie verschillende genen à suppressie (bv nonsense suppressie)

- Variabele penetrantie / variabele expressie


Mutaties (op moleculair niveau) (Hfdst 7)

- Transitie / Transversie

- Silent mutatie / Missense mutatie / Nonsense mutatie

- Reversie = terugmutatie

- Nonsense suppressie (mechanisme)

- Mutagene agentia (chemie / straling)

- DNA repair mechanismen. Photoreactivation / Excision repair / Postreplication repair


Chromosoomafwijkingen (Hfds 8)

- Euploid (normaal) haploid (n) / diploid (2n)

- Polyploid bv tetraploid (4n) / hexaploid (6n)

- Anaploid: 2n-1 (ABBCC) / 2n+1 (AAABBCC)

- Mechanismen: Non-disjunction / artificiel

2n-1 bv X0 Turnersyndroom Geslachtschromosomen

2n+1 bv XXY / XXX Klinefelter syndroom Geslachtschromosomen

2n+1 chrom 21 drie keer Downsyndroom (autosomen)

autosomen zijn alle chromosomen behalve de geslachtshormonen (bij de mens alles -2)


Bord 15 16


College 15-16 (Hoofdstuk 10+11)


Recombinant DNA technologie

- Restrictie enzymen ligase

- Vector genomisch DNA / cDNA


Functie analyse

- complementatie

- Databases (computer)

- In vitro muteren

- Insertie mutagenese (bv transposonmutagenese


Toepassingen

- Functie analyse via in vitro mutagenese

- Identificatie individuen (fingerprinting) RFLP analyse

- Productie (soortvreemde) eiwitten (factor VIII)

- Genetische modificatie (plant/dier)

- Identificatie erfelijke afwijkingen (bij mens)


Tekening van vector