Evolutie biologie


Vanaf blz 36 tot het eind.


Darwin

- The voyage of the "Beagle" (1845)

- The origin of Species (1859)


Figuur 2.5 boek. (kennen)


Typen bewijsmateriaal voor evolutie


Gelijkenissen en verschillen tussen soorten:

- vinken op Gallapagos lijken op elkaar (figuur 3.3)

- Buideldieren in Australië (figuur 3.4)

- waarschijnlijk allemaal van 1 voorouder (verschillen door verschillende habitat)


Homologieën:

- Voorpoten (figuur 3.6)

- Allemaal dezelfde opbouw van poten. Beenderen zijn homoloog met elkaar.

- Zoveel homologieën suggereert dat er een overeenkomst is in de afstamming.


Overeenkomsten in embryologische ontwikkeling

- Figuur 3.10 (mens heeft zelfs in begin kieuwen)



Rudimentaire structuren

- Figuur 3.8 achterpoot bij walvis is rudimentair

- Ook bij mens: spieren achter oren, verstandskies, blindedarm, stuitje en nervus vogus (figuur 3.9 en 3.11)


Fossielen

- figuur 3.13 (overgangsvorm tussen reptiel en vogels)

- figuur paarden (in syllabus bij sheets en figuur 3.14) kijken naar kiezen


Evolutie in actie

- Kunstmatige selectie (figuur 3.16)

- HIV en AZT (figuur in syllabus) door reverse transcriptase komen er steeds andere buitenkanten en is het dus moeilijk om een antistof te vinden. Retrovirussen ook uit 1 voorouder (parallellisme)

- Industriemelanisme (figuur vlinder)

- Natuurlijke catastrofes (figuur grondvink) Doordat zaden groter werden werd de gemiddelde snavel ook groter.






Homologie: overeenkomst in structuur ontstaan door afstamming van dezelfde voorouder.


Parallellisme: Overeenkomst in structuur ontstaan door vergelijkbare adaptaties in lijnen die dezelfde voorouder hebben.


Convergentie: Overeenkomst in structuur ontstaan door vergelijkbare adaptaties in lijnen die geen directe gemeenschappelijke voorouder hebben. (figuur 3.7)


Wet van Haeckel: Embryologie van een soort is een verkorte herhaling van fylogenie.


Fylogenie: Afstamming geschiedenis


Rudimentair orgaan: overblijfsel uit vroegere evolutie.


Nervus vogus: 10e kopzenuw (hersenen strottenhoofd schouder ingewanden)


Missing link: ontbrekende schakel in de evolutie


Levende fossielen: Alligators, steur, longvis, coelocanthen (vissen figuur 3.15) en ginkgo (planten). (zijn sinds ontstaan niet meer veranderd.
























College Hogere vertebraten.


Tetrapoda (alle dieren op 4 poten (inclusief vogels)) (= gewervelden - vissen)


Tetrapoda: (monofyletische groep die afstammen van de vissen)

- Amphibia (gladde huid)

- Reptilia (hebben geschubte huid)

- Aves (vogels)

- Mammalia (zoogdieren)



Amphibia:


Figuur uit Hoofdstuk 17 met stamboom van vissen.


Vanuit Osteolepiformes Amphibia


Aanpassingen aan het landleven bij amfibieen:

- Van kwastvin naar poot

- Van Kieuwademhaling naar longademhaling

- Ontwikkeling van heupgordel en schoudergordel (bekken en schouder moeten vast aan wervelkolom)

- Versteviging van wervelkolom

- Beweeglijke kop


Sheet syllabus blz. 131 (levenscyclus van Kikker)


Reptilia:


Figuur 17-14:

Amnionholte = een ruimte om het embryo. (bescherming tegen uitdroging)

Chorion ligt om het hele ei heen

Ook allantois = darmblaas (opslagplaats voor afval van het embryo)


Sheet blz 133: vegelijking reptile ei met bevrucht zoogdier ei.

Yolk = dooier

Uitsteeksels bij zoogdieren zijn voor oppervlakte vergroting zodat er goed uitwisseling van stoffen kan plaatsvinden.


Sheet blz 133 verschillen.

Sheet blz 132 (niet echt kennen alleen amniotisch ei en verschil in huid)

Sheet blz 137 Drie hoofdgroepen kennen:

- Anapsida (geen slaapvenster) (schildpadden)

- Synapsida (1 slaapvenster) (voorouder zoogdieren)

- Diapsida (2 slaapvensters) (bijna alle huidige reptielen)

Slaapvenster (fenestra tempralis) = opening in de schedel ten hoogte van de slaap.


Figuur 17-16


Zoogdieren:


3 hoofdgroepen:

- Monotremata (vogelbekdier + mierenegel)

- Marsupialia (buideldieren)

- Placentalia (Echte zoogdieren)

Figuur 6-16


Endometrium (baarbmoederslijmvlies) + Chorion (van ei) placenta

Placenta bij mens aan een kant bij bijvoorbeeld makaak (aap) aan 2 kanten.


Figuur 18-11


Bouwplankenmerken van zoogdieren:

- Melkklieren

- Levendbarend (behalve de Monotremata)

- Kaak bestaat uit 1 bot (os dentale), dat articuleert met het os squamosum (tekening blz. 149 syllabus + figuur 18-3)

- Os quadratum en os articulare omgevormd tot middenoorbeentjes (beter gehoor)

- Benig secundair verhemelte (figuur 18-2) (betere reukzin)

- Differentiatie van tanden: snijtanden, hoektanden en kiezen.




Primaten:


Figuur 19.1 en 19.2


3 groepen primaten:

- Prosimii (halfapen)

- Antropoidea (echte apen)

Platyrrhini (apen van de nieuwe wereld) (monkeys)

Catarhyni (apen van de oude wereld) (monkeys)

Homin oidea (mensapen) (apes)

-



Neotenie: de juvenile kenmerken worden behouden in het adulte stadium

Bipedahisme: lopen op 2 benen. (waarschijnlijk ontstaan door verandering in landschap van Tropisch regenwoud savanne)



Bouwplankenmerken van primaten:

- Vingers onafhankelijk van elkaar te bewegen. Eerste vinger en teen opponeerbaar.

- Half rechtopgaande voortbeweging.

- Overlap van beelden gevormd door linker en rechter oog.

- Verminderde reukzin. Verkorting van de snuit.

- Zeer grote hersenen.


Prognaat = snuit die vrij ver naar voren steekt

Orthognaat = snuit die minder ver naar voren steekt.

Brachiatie = hangen aan de armen.


Figuur 19.4


Aapmensen:

- Australopithecus (robuuste en graciele soorten)(bipedaal,kleine hersenen)

- Homo

Samen: homininen


Homo Habilis

Homo Erectus

Homo sapiens neanderthalensis

Homo sapiens sapiens


Figuur 19.15 (wel kennen ??)


Habilus is de eerste soort die werktuigen heeft uitgevonden.

Erectus heeft het vuur uitgevonden.

Sapiens heeft spreken uitgevonden.


Figuur 19-18

















Hoofdstuk 6 (blz. 91 tot eind)


Dateringsmethoden in de paleontologie:


1 Relatief

- Correlaties met bekende (gedateerde) fossielen (vooral bij fossielen die je aantreft in associatie met de mens) bij mensen vaak samen met zwijnen je weet uit welke tijd het zwijn komt dus ook de mens.


2 Absoluut

- kalium-40 (10 miljoen - 1000 miljoen jaar)

- Uraniumreeks (voor minder oude fossielen)

- Koolstof-14 (C-14 C-12) (voor recente fossielen, halfwaardetijd is 5000 jaar)


Figuur Argon-39/Argon-40 (syllabus) (k39 maat voor k40, k39 omzetten in Ar39 dan kun je simpel Ar39 en Ar40 meten en weet je de verhouding (beide gassen))


Klok:

- Nulpunt (hier vulkaan uitbarsting uitdrijven van gas (argon) door hitte dus alleen Kalium-40 en Kalium-39)

- Snelheid ( hier 40K 40Ar snelheid is halfwaardetijd (K = 10000000000 jaar)


T = 1/ ln(1 + 40Ar/40K)


Voor alle methodes nodig verhouding tussen Begin en eindproduct, je rekent uit wanneer de klok op 0 is gezet.


Figuur 6.6 (239U 206Pb)

Figuur syllabus dood mens (fossiel ingepakt tussen 2 lijnen die we kunnen dateren zodat we de tijd van fossiel kunnen schatten)


Figuur 6.8 continental drift (vorm van continenten en gelijke steensoorten op kustlijnen)

Pangea: Hele lap bij elkaar bestaat uit:

- Laurasia (Noord Amerika, Groenland en Europa)

- Gondwanaland ( de rest)


Figuur 6.10 (richting van magneetveld kun je halen uit gesteentes, en gesteentes kun je dateren dus kun je de richting van continenten bepalen)


Figuur 6.9 Overeenkomsten tussen fossielen in continenten.


Soort figuur 6.15 (dunste plak (0ceaanplak) onder de dikste (continentplak) daar komt een oceanische trog en waar tegenaan geduwd wordt krijgt vulkanische activiteit)

Botsingen tussen 2 continentale platen (dikke) vorming bergen)


Figuur 6.14 Zie je breuklijnen tussen platen daar ontstaan aardbevingen.


Sheet in syllabus over hoofdgroepen zoogdieren. (zie ook figuur 6.16 en figuur 6.17)


Sheet landkaart Indonesië de landkaart heeft lijn, links en rechts ander flora en fauna, toch bij sommige dichtbijgelegen eilanden over gegeven (bijvoorbeeld ten oosten van de lijn buideldieren) Sheet met vergelijking van dieren ten Oosten en ten Westen van de lijn.



Allopatric speciation: Verspreidingsgebieden splitsen dan soort gaat zich onafhankelijk ontwikkelen, komen nieuwe soorten, als ze weer bij elkaar komen kunnen ze niet meer met elkaar kruisen.


Sympatric speciation: Binnen hetzelfde verspreidingsgebied een nieuwe ecologische zone dieren krijgen aanpassing en kunnen niet meer kruisen. (Vinken Darwin)


4 Periodes op aarde:

- Precambrian (ontstaan 4.5 miljard jaar geleden) (ontstaan prokaryoten en eukaryoten)

- Paleozoic (Zeer veel fossielen uit deze periode (ook primitieve vissen dus begin gewervelden, massa extinctie daarna kolonisatie van land vervolgens massa extinctie daarna Carboon met veel planten (aardolie en amfibieën en reptielen opnieuw massa extinctie)

- Mesozoic (eerste echte reptielen, opkomst dinosaurus weer massa extinctie (eind Trias) in Jura weer veel dinosauriërs en eerste naaldbomen in het krijt ontstaan van bloemplanten massa extinctie van alle reptielen.

- Cainozoic bloei van zoogdieren en aan het eind van het tertiair de eerste mensachtige individuen. Tijdens quaternary ontwikkeling tot hom sapiens




















College Hoofdstuk 10

(blz 194 195)

Chromosomal variations in number (blz 204) tot aan blz 217


Mendel 1866 Proeven met erwten

Hugo de Vries +- 1900 proeven met Teunisbloem en heeft het werk van Mendel bekent gemaakt.


(AA X aa) etc.


allozymen en iso-enzymen : zijn varianten van hetzelfde enzym die iets verschillen in structuur of lading. (zelfde functie)


Met gel platgestampte vliegjes erop en dan kijken welke eiwitten er zijn (naar mate hoever ze migreren) dan kun je kijken welke (A a) er zijn. Dit komt dus door kleine verschillen in enzymen die zelfde functie hebben.


Locus (=gen) - Plaats (bij een diploide cel op beide chromosomen) waar een kenmerk genetisch vastgelegd is


Allel = een van de alternatieve vormen waarin een gen kan voorkomen.


Genfrequentie - allelfrequentie


Allelfrequentie - aantal allelen van een bepaald type dat in een populatie voorkomt, relatief ten opzichte van het totaal aantal allelen van het betreffende locus


Hetrozygoot - de twee allelen van een diploid locus zijn verschillend.


Sheet chromosoom variaties in syllabus

Polytene chromosomen eigenschap niet in 2-voud maar wel in 100-voud zijn reuze chromosomen (n -100)


Autopolypoidie = Sommige chromosomen in aantal veranderd (komt uit eigen individu)

Allopolypoidie = Sommige chromosomen in aantal veranderd (uit andere soort)


Euploide autopolypoidie (chromosoom in honderdvoud maar eigen chromosoom (drosophila)

Aneuploid autoploidie = Downsyndroom ( enkele chromosoom, eigen chromosoom)


Centromeer (midden) en telomeer (uiteinde)


Paracentrisch: inversie die niet het centromeer betreft

Pericentrisch: inversie die ook het centromeer betreft


Figuur 10.13 Is wel belangrijk. Niet zo moeilijk

Figuur 10.14

Figuur 10.17 Indische afgeleid uit chinese door fusie van chromosomen.

Figuur 10.19

Figuur 10.20











































College Hoofdstuk 21


Continue variatie (van alle soorten wat) Selectionisten

Discontinue (discrete) variatie (alle dieren zelfde lengte alleen mutanten wijken af) Mutationisten


Sheet blz. 162 syllabus


Mutationisten kregen gelijk door werk van Hugo de Vries


+- 1920 Neodarwinisme = moderne synthese

Invloed van Hardy, Weinberg, Haldane en Fisher. (populatiegenetica)


Hox-genen transcriptiefactor (regulerende genen) (bind aan promotor regio)


Fenylthiocarbamide-proeven

PTC (een kwart kan de stof niet proeven en drie kwart proeft bitter)

Proeven berust op 1 locus: TT Tt tt

Thiocynaat lijkt erop en is giftig verminderd jodium opnamen schildklier minder groei minder

Dus waar proeven belangrijk is voor overleving zal het aantal niet proevers afnemen


200 personen:


TT = 90

Tt = 60

tt = 50


{..} = frequentie van


{TT} = 0.45

{Tt} = 0.30

{tt} = 0.25

---------------- +

= 1.00


Nu allel frequenties (200 keer 2 dus 400 allelen)


{T} = (2 90 +60)/400 = 0.6

{t} = (2 50 +60)/400 = 0.4


Ook:

{T} = {TT} +0.5 {Tt}

{T} = 0.45 + 0.5 0.30 = 0.6

{t} = 0.25 + 0.5 0.30 = 0.4


{dominant allel} = p

{recessief allel } = q

p + q = 1


allel frequenties genotype frequentie (met regel van Hardy en Weinberg)


Als in een populatie de allelfrequenties voor een diploid locus gelijk zijn aan p en q

Dan zijn de frequenties van de drie genotypen gelijk aan p2, 2pq en q2

Mits voldaan is aan vijf voorwaarden.


Voorbeeld:


200 personen

evenveel mannen als vrouwen

{TT} = 0.45

{Tt} = 0.30

{tt} = 0.25


Random mating


TT = 0.45 Tt = 0.30 Tt = 0.25
TT = 0.45 0.2025 0.1350 0.1125
Tt = 0.30 0.1350 0.09 0.750
Tt = 0.25 0.1125 0.0750 0.0625


Optellen zelfde kruisingen bijvoorbeel TT Tt + Tt TT (zelfde resultaat)


TT = 0.3600

Tt = 0.4800

Tt = 0.1600


{T} = 0.36 + 0.5 0.48 = 0.6

{t} = 0.16 + 0.5 0.48 = 0.4


Allelfrequenties blijven constant !!! Terwijl genotype frequenties kunnen veranderen


Zie figuur 21.3


p2 = (0.6)2 = 0.36

2pq = 2 0.6 0.4 = 0.48

q2 = (0.4)2 = 0.16


1 Na een generatie random mating is H-W evenwicht bereikt (p2, 2pq en q2)

2 De allelfrequenties blijven constan

3 1 = onafhankelijk van de beginsituatie van genotypen


Als er geen uitwendige krachten op een populatie werken blijven de allelfrequenties constant.


Figuur 21.3 (afleiden van de regel)

Sheet in syllabus genotype frequency (blz 163)


Figuur 21.2


Vijf voorwaarden voor geldigheid van de regel: (belangrijk !!!)

Grote populatie

Panmixis (kans op een kruising onafhankelijk van het locus genotype (gelijke kansen voor kruisingen)(random mating))

Geen migratie

Geen mutatie

Geen selectie


H & W bij drie allelen (bijvoorbeeld bloedgroepen)

Locus heeft allelen A1, A2 en A3

{A1} = p

{A2} = q

{A3} = r


6 mogelijke genotypen


{A1A1} = p2

{A2A2} = q2

{A3A3} = r2

{A1A2} = 2pq

{A1A3} = 2pr

{A2A3} = 2qr


Figuur 21.5


Bloedgroepen: allen: genotypen:

A Ia IaIa Bloedgroep A

B Ib IaIo Bloedgroep A

AB Io IaIb Bloedgroep AB

O IbIb Bloedgroep B

IbIo Bloedgroep B

IoIo Bloedgroep O

Verschil zit in suikerketens aan rand van rode bloedcellen


Bloedgroep O heeft een iets hogere kans op bevruchting (membraan van eicel iets anders)

en op darminfecties


Frequentie bloedgroep A bij Ijslanders (A = 20 B = 5 C = 75)

Bloedgroep A : {IaIa} = 0.2 0.2 = 0.04

{IaIo} = 2 0.2 0.75 = 0.3

Bloedgroep A = 0.04 + 0.3 = 0.34



H & W met 2 loci (Aa en Bb)

9 verschillende genotypen mogelijk:

AABB

AABb

AAbb

AaBB

AaBb

Aabb

aaBB

aaBb

aabb


Zie sheet Evenwicht bij 2 loci


Loci Aa en Bb

Allelen A, a, B, b

Allelfrequenties: p, q, r, s

Gameten AB, Ab, aB,ab

Gameetfrequencies pr, ps, qr, qs

Genotypefrequenties p2r2, p2s2, q2r2, q2s2

In evenwicht 2p2rs, 2pqr2

2pqs2, 2q2rs

4pqrs


linkage equilibruim (koppelings evenwicht)


Bij de gameten zijn de frequenties van de allelen onafhankelijk van elkaar:


{AB} : {aB} = {Ab} : {ab} (dus verhouding tussen A en a is onafhankelijk van een B of een b)


Linage disequilibruim (afwijking van koppelings evenwicht) is d (kan zowel positief als negatief zijn)


d = {AB} {ab} - {Ab} {aB}


Bij koppelings evenwicht verwacht je 9 combinaties van genotype


Figuur 21.5


Figuur 21.6


Recombinatie frequentie r = maat voor frequentie van crossing-over tussen twee loci

Max r = 0.5 (onafhankelijke overerving)


R = aantal recombinante gameten geproduceerd door dubbele heterozygoot


1 - Dicht bij elkaar liggen op gen dan is r groter.

2 - Co-adoptie (zullen altijd samen overerven omdat ze samen werken)


Samenvatting Bord:

Koppelingsevenwicht betekent afwezigheid van gekoppelde overerving

In koppelingsevenwicht zijn de vier gameetfrequenties (nl. Van AB, Ab, aB en ab) gelijk aan de producten van de frequenties van de afzonderlijke allelen.

In koppelingsevenwicht worden alle negen genotypen gevormd in verhoudingen gedicteerd door de allelfrequenties

Afwijking van koppelingsevenwicht wordt uitgedrukt met de parameter d (d = 0 in koppelingsevenwicht)

De afwijking van evenwicht ("linkage disequilibruim") is maximaal (d = +1) als de dominante en recessieve allelen steeds met elkaar overerven (A met B en a met b) En als de d minimaal is ( -1) dan krijg je alleen A met b en B met a

De afwijking van evenwicht is minimaal ( d =-1) als de dominante allelen steeds overerven met de recessive allelen ( A met b en a met B)

Als er recombinatie is tussen de loci ontstaat na verloop van tijd altijd een koppelingsevenwicht.

De snelheid waarmee koppelingsevenwicht bereikt wordt hangt af van de recombinatie frequentie r.

r ligt tussen 0 (geen recombinatie) en 0.5 (onafhankelijke overerving)

Bij maximale recombinatie neemt d elke generatie met een factor 2 af.

Blijvende afwijking van koppelingsevenwicht: de loci liggen zo dicht bij elkaar op hetzelfde chromosoom dat crossing-over tussen de loci zeer zeldzaam.

Blijvende afwijking van koppelingsevenwicht: de loci maken onderdeel uit van hetzelfde co-adaptieve gencomplex




Geslacht wordt bepaald door een gen namelijk: testis determination factor (TDF) dat ligt op het Y-chromosoom.

TDF testis testosteron steroid receptoren

TDF hypothalamus


Sex linkage loci op X-chromosoom


Homogametisch geslacht = geslacht dat twee gelijke geslachtschromosomen heeft (bij de mens dus de vrouw)

Heterogametisch geslacht = geslacht dat ongelijke geslachtschromosomen heeft (bij de mens dus de man)


(Bij bijvoorbeeld vogel omgekeerd dus man = homogametisch geslacht en vrouw heterogametisch geslacht)


Een geslachtsgebonden locus met twee allelen heeft vijf genotypen:

homogametisch geslacht: AA, Aa en aa (frequenties: p2, 2pq en q2)

heterogametisch geslacht: A en a (frequenties p en q)

De man is hemizygoot bij de mens


Man Vrouw

{A} 0.2 0.5

{A} = 1/3 {A}man + 2/3 {A}vrouw = 0.4


Vrouwen: Mannen:

{AA} = p2 = 0.16 {A} = 0.4

{Aa} = 2pq = 0.48 {a} = 0.6

{aa} = q2 = 0.36


Figuur 21.7 Dochter krijgt gemiddelde waarde van man en vrouw (XX) en zoon krijgt waarde van moeder (XY en Y telt niet)


Hemofilie:

XH XH gezond (vrouw)

XH Xh drager (vrouw)

Xh Xh ziek (vrouw)

XH Y gezond (man)

Xh Y ziek (man) (geen compensatie van ander chromosoom)


Inteelt vergroot het aantal homozygoten in een populatie. De inteelt is des te groter naarmate de populatie kleiner is.


Inteeltcoefficient F (de kans dat twee allelen van een diploid locus gelijk zijn doordat ze afkomstig zijn van dezelfde (voor) ouder.

F = (0.5) tot de macht n

N = aantal voorouders die ik tegenkom als ik via de voorouders weer bij mezelf terecht kom.


{AA}inteelt = p F

{aa}inteelt = q F

{AA}totaal = p2 (1-F)


Figuur 21.8


Inteelt is een manier om een zuivere lijn te maken (homozygoot voor een bepaalt locus)


Figuur 21.9 (frequentie van Heterozygoten neemt af)








































College Hoofdstuk 22


Naast inteelt zijn mutaties een andere belangrijke afwijking van Hardy & Weinberg evenwicht.


Mutatie:

A a (u) (u = klein ongeveer 0.00001 %)

a A (v)


{A} = p

{a} = q


In evenwicht : frequentie waarmee a gevormd wordt is gelijk aan de frequentie waarmee a terugmuteert.


Frequentie waarmee a gevormd wordt is {A} u

Frequentie waarmee a terugmuteert is {a} v


q = u / (u + v)

p = v(u+v)


Selectie

1) selectiecoefficient s


Jan 100 nakomelingen

Piet 90 nakomelingen


Piet 10 % minder s = 0.1


2) Fitness (adaptieve waarde ) w


Berekening van q bij selectie tegen een recessief allel (a)


Genotype AA Aa aa
Beginfrequentie P2 2pq Q2
Fitness 1 1 1 - s
Frequentie na selectie P2 2pq (1 - s)q2

Figuur 22.2


Totaal (na selectie)

P2 + 2pq + (q - s)q2

P2 + 2pq + q2 - sq2

Totaal aantal genotypen na selectie = 1 - sq2


Genotype AA Aa aa
Selectie tegen recessief allel 1 1 1 - s
Selectie tegen dominant allel 1-s 1- s 1
Afwezigheid van dominantie 1 1 -s 1 -2s
Overdominantie 1 - s 1 1 - t

* t groter dan s


Overdominantie = heterozygoot heeft hogere fitness dan 2 heterozygoten. (vb = sikkel cell anemia)

Overdominantie kan leiden tot een stabiele polymorfie (a blijft in de populatie)

Polymorfie = voor 1 locus zijn 2 allelen in de populatie aanwezig


Figuur 22.2



Hbs


SS: ziek

SA: niet ziek, verhoogd resistent tegen malaria

AA?: niet ziek, gevoelig voor malaria


Waa = 0.85 s = 0.15

Was = 1.00

Wss = 0.10 t = 0.10


Q = 0.15/(0.15 + 0.9) = 0.14



Formules tabel 22.2 en 22.4 niet kennen wel een beetje de manier kennen


Paragraaf Migration op blz. 546 niet kennen. En Random genetic drift ook niet kennen (dus vanaf 546 niks meer in hoofdstuk 22)

A a weg. (1e pijl = mutatie, 2e pijl = selectie)


A a = {A}u

A selectie = {a}selectie


In evenwicht q = (u/s)


Het met een constante frequentie (q) voorkomen van (nadelige) mutanten doordat de mutatiefrequentie gelijk wordt aan de selectiecoefficient: q = (u/s)


Gebalanceerde polymorfie: Het naast elkaar blijven voortbestaan van meerdere allelen op een locus door selectie processen:


- heterosis (overdominantie)

- frequentie-afhankelijke selectie ( figuur 22.5 nabootsen van andere vlinder die giftig is terwijl vlinder zelf niet giftig is. Maar het voordeel is afhankelijk van de frequentie: er moeten meer giftige dan lekkere zijn anders leren de vogels ze op te vreten)

- in de tijd alternerende selectie (selectie varieert in de tijd, bijvoorbeeld de legselgrootte van de koolmees afhankelijk van het voedselaanbod, aantal eieren genetisch dan zowel veel leggende mezen als weinig leggende mezen, dan zijn ze om het jaar in het voordeel)

- ruimtelijk variabele selectie (een bos met voedselrijke en voedsel arme plekken, zo een situatie houdt polymorfie in stand als de actie radius van een dier kleiner is dan de schaal van de heterogeniteit (dus blijft op maar 1 stuk bijvoorbeeld voedselrijk of voedsel arm )


Figuur 22.2 goed begrijpen !!!




Sex ratio (geslachtsverhouding) waarom 1?

Voorbeeld 180 vrouwen en 20 mannen samen 200 kinderen:

- mannen krijgen gemiddeld 10 kinderen

- vrouwen krijgen gemiddeld 1.1 kind


Het is dus heel voordelig om zoontjes te krijgen zodat je genen meer worden doorgegeven en de populatie zal weer naar 1 gaan.


Coarse-grained: schaal van de heterogeniteit is groter dan de actieradius van een dier.(bijvoorbeeld een regenworm die op 1 plekje blijft)

Fine-grainde: schaal is kleiner dan de actie radius (bijvoorbeeld een hert die het hele gebied bestrijkt)


Figuur 22.8


Stabilizing selection: bevorderd het gemiddelde en tegen uitersten.

Directional selection: bevorderd 1 kant dus verschuift. (figuur 22.9)

Disruptieve selction: bevorderd de uitersten en benadeeld midden.






College Hoofdstuk 11


Sheet Biodiversiteit (syllabus blz. 98)


Linnaeus 1735: Systema naturae

Binaire nomenclatuur (voornaam en achternaam)

Bijvoorbeeld:

Homo sapiens

Larus argentatus

Elaphas maximus


Vier regels:

Eerste naam altijd met een hoofdletter het tweede woord altijd met een kleine letter.

En nooit een lidwoord voor een wetenschappelijke soortnaam.

Soortnaam cursief

Wet. Namen van families, ordes, klassen met hoofdletter (maar NL-namen niet)


Er zijn twee richtingen in de systematiek (indelen van soorten)

Taxonomie (stopt soorten in handige groepen, kijkt niet naar afstamming, dus vaak erg subjectief)

Cladistiek (systematiek weerspiegeld ook de afstamming)



Classificatie:

Fylum

Klasse

Orde

Familie

Genus

Soort


Ook nog met Sub en Super werken (bv suborde)


Zie sheet blz 100 in syllabus KENNEN


De belangrijkste fyla van het dierenrijk kennen sheet blz 100 syllabus.


Soort:

Taxonomisch: Groep individuen die een grote mate van overeenkomst met elkaar vertonen (De manier van Linneaus)

Biologisch: Groep individuen die onderling kruisbaar zijn een daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen. (vb merels op berg en eiland)

Evolutionair: Groep individuen die uit elkaar geevolueerd zijn (figuur 11.3)


Anagenese (fyletische evolutie) is een evolutionair process waarbij 1 soort zich ontwikkeld en evolueerd tot een andere soort zonder dat er vertakkingen zijn. (figuur 11.3) Eigenlijk zijn ze dus allemaal de zelfde soort.


Cladogenese (Cladistische evolutie) is een evolutioniar process waarbij er wel vertakkingen


Cladistiek: ook fylogenie reconstrueren

Figuur blz 102 Syllabus


Drie begrippen bij Figuur blz 102:

Monofyletische groep is een groep soorten die allemaal afstammen van een bepaalde voorouder. (defineren ten opzichte van bepaalde voorouder)

Parafyletische groep is een groep soorten die allemaal van dezelfde voorouder afstammen maar die niet alle afstammelingen bevat. (het is dus een incomplete clade (tak)) (een niet complete monofyletische groep_

Polyfyletische groep is een groep soorten die van verschillende voorouders afstammen.


* let op altijd benoemen ten opzichte van bepaalde voorouder !!!


kenmerkentabel


Soort Kenmerk 1 Kenmerk 2 Kenmerk 3
A Ja Ja Nee
B Nee Nee Ja
C Ja Ja Nee
D Nee Nee Ja
E Nee Ja Nee

Evolutionaire hypotheses:

zowel A als C hebben kenmerk 1 dus stammen ze af van dezelfde voorouder.

Zowel A, C en E hebben kenmerk 1 dus nog een voorouder ervoor

Zowel B en D hebben kenmerk 3 dus weer eentje ervoor met een lijn naar B en D



Parsimonie regel:

Elk kenmerk zo weinig mogelijk mutaties

Mutaties zijn irreversibel

(Criteria van Hennig 1966)



Outgroup: soort(en) die bij veronderstelling de kenmerken van de voorouder heeft












Kenmerken (sheet blz 102 syllabus !!):

Plesiomorfe (primitief)

Apomorfe (afgeleid)

Symplesiomorfie

Synapomorfie

Autopomorfie


Figuur 11.11 (BELANGRIJKE FIGUUR) Je neemt altijd het figuur met het minste mutaties.


Figuur blz 103 syllabus is een voorbeeld


















College Algen (Hoofdstuk 13)


Chlorofyl a Bij alle planten die fotosynthese kunnen doen.


Fotosynthese: Zonne energie organische verbindingen mitochondrien ATP


Prokaryoot = kleine celletjes < 10m, ze hebben geen kern en andere door membranen omgeven celorganellen. (bv Bacteria en Archea)


Eukaryoten = grotere cellen en ze hebben altijd een door 2 membranen omgeven kern (sommigen hebben chloroplast)


Archea leven onder extreme omstandigheden: speciale celwand en speciaal DNA


Blauwalgen zijn ook bacterien (geen flaganellen en geen geslachtelijke voortplanting ze hebben ook chlorofyl a)


Endosymbiose: Oer eukaryoot + blauwalgen cel, de blauwalgen cel wordt chloroplast. Ook mitochondrien op zo een manier ontstaan.


Phagotroof = opnemen van organische deeltjes.

Flagel = een zweepdraadje waardoor een eencellige zich kan voorbewegen in het water.


Groenwieren hebben dus chlorofyl a en chlorofyl b, de celwand is van cellulose en de reserve stof is zetmeel. Door deze kenmerken zijn ze verwant aan de landplanten. Verder hebben groenwieren apicaal en 2 of meerdere flagellen.

Levenscyclus: meestal haplont. Het biotoop meestal zoet water.


Chlorophyta (chlorafyl a en chlorofyl b) daartoe behoren de Groenwieren + landplanten (mossen, varens en zaadplanten (naaktzadige en bloemplanten))


Heterokonte algen (Chromista):

- Chrysophyceae (goudwieren)

- Xanthophylceae (Geelgroene algen)

- Bacillariophyceae (Diatomeeen of kiezelwieren)

- Phalophyceae (buinwieren)











Organisatie niveau's :

1 Flaggelaat (eencellige, kolonie altijd meervoud van 2 (grootste kolonie = Volvox)

2 Coccaal net vormig verband

3 Trichaal draadvormig (vertakt of onvertakt) midden in draad delen - intercalaire deling) Alleen topcel groei wordt gezien als een hogere ontwikkeling. Draadje zit vast met hechtdraadje = rhizoid

4 Parenehymatisch of thallens (platte plaat van cellen (bijvoorbeeld zeesla en ook darmwier)

5 Sigonaal (buis of bolvormig) (bijvoorbeeld Viltwier)

Coemoecytisch (meerdere kernen)


1 + 2 leven planktonish (microscopisch kleine in het water zwevende organismen)



Geslachtelijke voortplanting

(isogamie = gameten gelijk van grootte en vorm)

(anisogamie = 1 grootte en 1 kleine gameet (man))

(oogamie = 1 grootte en 1 kleine (spermatozoid)

Plasmogamie = samensmelten van 2 gameten.

Zygote = samengesmolten geval


Ongeslachtelijke voortplanting is vermeerdering van genetisch identieke individuen.

Zoosporen zijn geflageneerde eencellige (die ontstaan zijn door ongeslachtelijke voortplanting.


Levenscyclus:

Haplo-biontisch (Haplont (het ene vegetatieve stadium is haploid) (diplont = diploid)

Diplo-biontisch (Haplo gemetofyt - Diplont sporofyt)



Bruinwieren (daar zitten de grootste algen bij flappen tot 100 meter)

In de celwanden van bruinwieren zitten alginaten (gelstoffen die het vermogen hebben om suspensies te stabiliseren) ze zitten vooral op rotsen in de marine (getijde) zone.


Merosteem is delingsweefsel.


Fucus (heel bekend zeewier)










College Algen (vervolg)


Stromatoliten zijn de oudste fossielen van levende stenen (blauwalgen groeiwijze)


Heterosist = daarin vind stikstof binding plaats dus N2 NH4 in zo een heterosist is een zuurstofloos milieu. Op deze manier hebben ze geen last van stikstof tekort. (letterlijk = anders gevormde cel) (heeft poriën aan beide kanten)


Dinoflagelaten is een hele oude groep met aparte eigenschappen, Groef rondom waarin een flagel golft. (horizontale en verticale groef) ze zijn zowel autotroof als heterotroof (mixotroof)


Desmidiatieen (sieralgen) coccaal type met een tweedelige cel.


Rondjes zijn piranoiden (in chloroplasten)


Mycrasterias ???


Epifiet = plantaardige organisme die vastgehecht zitten op andere plantaardige organisme. (bentisch = vastgehecht)


Oedogonium.


Kalk groenwieren = hebben voor heel veel fossielen gezorgd omdat ze kalk afzetten.


Phaeocystis pouchetii (schuim op het strand)


Emiliana huxley (met kalkplaatjes erop) (speelt een hele grote rol bij klimaatstudies etc omdat ze zo massaal voorkomen en de kalkhuishouding verstoren.


Kalkroodwieren spelen een belangrijke rol bij de opbouw van koraalrifsystemen.


College Fungi (schimmels)


Fungi

- heterotrofe organismen

- voedingswijze is absorptie van organische stoffen

- celwand van chitine

- Oorsprong is een eencellig protozo (choanoflagellaten) (=fagotroof)

- Grote groep ongeveer 100000 soorten

- Grote rol in maatschappij (ziekten, geneesmiddelen, gisten etc)

- Het zijn Eukaryoten (zonder chloroplasten)

- Reserve stoffen zijn vetten en glycocenen geen zetmeel !!


Stofcyclus in ecosysteem:


Planten + Dieren organische stoffen Fungi + bacterien (afbraak) mineralen + CO2 Planten + Dieren


Endo mycorrhiza: schimmeldraadje tussen cellen van wortel, dan takje naar cel toe en takje gaat zich vertakken


Hyphen zijn draden bij schimmels


Kingdom Mycota

Subkingdom Eomycota

Klasse Chytridiomycetes

Fyla Microsporidia (parasiterende eencellige schimmeltjes)

Infra Fylum Zygormycotina (VAM)

Subkingdom Neomycota

Fylum Ascomycota (zakjeszwammen)

Fylum Basidiomycota


Waarschijnlijk zijn de Neomycota ontstaan uit de Eomycota.


Basidiomycota (Paddestoelen) (kunnen vruchtlichaam maken zonder geslachtelijke vp, Ascomycota hebben voor elk vruchtlichaam geslachtelijke vp nodig)


Gaatjeszwammen, buikzwammen, stuifzwammen.


Lichenes : Korstmossen (samenwerking tussen Alg en schimmel)


Kingdom Bryophyta

Klasse Hepaticae (Levermossen)

Klasse Anthocerotae (Houwmossen)

Klasse Musci (Bladmossen)


Levermossen:

- Dors-verticale bouw

- Thelleuze

- Folieze

- Geen nerf


Bladmossen

- Wel nerf


Huikje is oorspronkelijk de wand van het archgonium


College Hoofdstuk 13 Varens


Varen heeft volwaardig transportsysteem via wortels en stengels : alleen tracheiden (korte houtcellen)


Xyleem zorgt voor transport water en mineralen. (bv tracheiden)

Floeem zorgt voor transport van suikers en fotosynthese producten.


Carboon: Eerste varenachtigen (eerste vaatplanten (tracheophytinen))

Trias Jura Krijt : Naaktzadigen.

BovenKrijt: Bloemplanten


Div. Pteridophyta

Klasse Rhymidesida T Sil - Dev

Klasse Psilotopsida (Psilotum)

Klasse Lycopsida (wolfsklauwen) vanaf Carboon (boomvormen) tot recent

Geslacht Lepidodendron (schubboom)

Geslacht Sigillaria (zegelboom)

Klasse Spheropsida (paardestaarten)(bomen)

Klasse Pteropsida (Macrofyl de rest is microfyl)


College Hoofdstuk 13 Zaadplanten


Div Spermatophyta

Subdiv Cycadophyina (Naaktzadigen) (200 soorten) (blad = geveerd)

Subdiv Comferophytina (Naaktzadigen) ( 600 soorten) (blad = enkelvoudig)

Subdiv Magnoliophytina (Bedektzadigen) (500000 soorten)

Klasse Liliatae - Monocotylen

Klasse Magnoliatae - Dicotylen


De pollenkorrel is homoloog met het microprothalium (en niet met het microsporangium)


Naaktzadigen zijn houtige planten en de zaadknoppen zijn niet omhuld, de voortplantingsstructuren zijn meestal geplaatst in een eenslachtelijke kegels (mannelijk en vrouwelijk niet gemengd)


Oudst levende plant is Pinus Aristata (8000 Jaar oud)


Sympetaal ( vergroeid)

2 zijdig symetrisch = zeer geavanceerd insecten bestuiving.





Monocotylen Dicotylen

Bloemen. 3 tallig Bloemen niet 3 tallig

Geen onderscheid kelk en kroon Wel groene kelk gekleurde kroon

Blad parallele nervatuur (langebladeren) Vertakte nervatuur etc.

Adventiefwortels vervangen hoofdwortel Hoofdwortel blijft gewoon

Pollenkorels monocolpaat Pollenkorrels tricolpaat

Vaatbundels atactostelen (willekeurig) Vaatbundels eustele (in krans)

Bloemplanten stammen af van de Zaadvarens.






































College Oorsprong dieren (Hoofdstuk 14)


Sheet blz 114 Syllabus (wat doorwerken)

Lezen Hoofdstuk 7 Summary (136-137)

Lezen Hoofdstuk 9 Summary (183)


Sheet blz 114 (tijdschaal)

Pijl boven Eukar = eerste meercellige Eukaryoot

Pijl daar boven = oorsprong dieren van nu


Sheet van verschillen tussen Prokaryoten en Eukaryoten (blz 115)


545 miljoen jaar geleden : Cambrische revolutie

- Kort 5 Miljoen jaar

- Zeer veel bouwplannen

- Alle recente bouwplannen zijn toen ontwikkeld

- Radiatie precambrische vormen (eerst Edicarian fauna = Vendozoa daarna small shelly fauna) (deze twee kunnen niet in een fylum geplaatst worden, ze zijn beide verdwenen. Er wordt vermoed dat de cambrische revolutie gestart is met stammen uit deze fauna's (er zijn echter geen fossielen gevonden)


Arthropoden (trilobieten, cheliceraten, Crustacea, uniramia)

Burger Shale

Wallcot

Drama (probeerde alles in bepaalde schema's te passe.


Reconstructie door verschillende engelsen fossielen pasten niet in het schema


Sheet blz 115 (boven) soort samenvatting















College Bouwplannen evertebraten (hoofdstuk 16)


Sheet blz 116 Schrappen: Ribkwallen Lophopharate phyla en Radardiertjes niet kennen rest wel


Phylam = alle soorten met gemeenschappelijk bouwplan.

Monophyletisch (alle soorten stammen af van dezelfde voorouder)

Polyphyletisch (soorten stammen van verschillende voorouders af)


Indelen: van soorten:


- Symetrie (radiair of bilateraal)

- Embryologie (kiemlagen, lichaamholtes)

- Fossielen (skeletstructuur)


Schema blz 117 kennen. Schema van Willmer

Choanoflagellate = eencellig alles erboven is meercellig

Planula laag = radiair symetrisch en diploblast (uit 2 kiemlagen opgebouwd)

Alle dieren boven de planula laag zijn bilaterair en triploblast

Acoelomate = zonder lichaamsholte

Boven die laag ingedeeld op af of aanwezigheid van lichaamsholte

Organised spiral cleavage (eerte delingen van een embryo zijn cleavage delingen waarbij geen celgroei optreed)

Protostomia (oermond in embryonale ontwikkeling wordt echte mond)

Deuterostomia (oermond wordt anus ontwikkeling van echte mond later bij embryo)


Blz 118

Morula is celgroepje dat ontstaat uit eerste cleavage


Bij spiraal cleaving is er bij een tweecelligstadium nog maar 1 cel over die nog een volledig embryo kan maken. Bij radiaal kan zelfs in het 8 cel stadium nog steeds ieder van de cellen uitgroeien tot een embryo


Sheet blz 119

Micromeren zijn de kleine cellen (bij delen 2 kleine cellen)

Macromeren zijn de grote cellen (bij delen een grote en een kleine cel)

4d: al het mesoderm in het volwassen dier afkomstig van die cel (bindweefse, skelet en spieren etc)

Alle grote cellen samen het endoderm

Alle kleine cellen het zenuwstelsel

Sheet blz 120


Ezelbruggetje sheet blz 120

Sheet blz 121 (uitbreiding van mesoderm)


Coeloom :

- holte binnen mesoderm

- eigen epitheel: mesotheel

- eigen afvoergang

- vervangt blastocoel

Pseudocoeloom: (= blastocoel)

- aan een kant omgeven door epitheel

- heeft geen eigen afvoergang


Sheet blz 122

Prorifera (spons)

Cnidaria (holtedier) met darmkanaal

Acoel (platwormen) darmkanaal

Pseudocoel (ecotoderm endoderm en mesoderm) darmkanaal hangt vrij zowel mond als anus

Coelomaat (meest geavanceerd vertebraten evertebraten) Darmkanaal met mond en anus ook de 3 lagen , holte tussen lagen is coeloom


Waarom lichaamholten ??? sheet blz 122



- Acoel : plat, klein (zonder transportsysteem dus moet plat zijn zodat zuurstof kan doordringen (max 1mm)) Ze bewegen op een soort zool met trilharen. (traag)

- Pseudocoeloom: (ovaal) bewegen door krom trekken dus zeer beperkte beweging.

- Coeloom (metameer is coeloom opgedeeld in segmenten dus elk segment alle organen spieren etc en pseudometameer is bijvoorbeeld spieren apart en organen gezamelijk) Kan slangbeweging maken (serpentine movement) Ook nog hefboom voortbeweging bijvoorbeeld bij de hogere vertebraten)


Sheet blz 123 vergelijking tussen protostome en deutersome


Sheet blz 123 boven hoef je NIET te kennen.


Theorie: in het vendozoa alle dieren diploblasten (holtedieren overgebleven)



Porifa : Sponzen

- Aparte positie

- Multicellulair

- Geen kenmerkende symetrie

- Geen weefsels

- Wel gespecialiseerde cellen

- Afwijkende embryologie



Holtedieren : 3 groepen (Hydrozoa, Scyphozoa en Anthozoa

- Primitieve radiaire symetrie

- Afwijkende embryologie: gastrulatie door .inpressie op epibalie

- Diploblast

- Celtypen, weefsels, organen (darmstelsel en zenuwstelsel)

- Geen echte spieren, wel spieren.

- Carnivoor, filterfeeders


[Poliep] Kwal zygote planula [Poliep]


Platyhelminthes (Turbellaria, Trematoda en Cestoda)

- Bilateraal symetrisch

- Triploblast mesoderm spier

- Geen lichaamsholte: acoel trilhaarzool voor beweging

- Flessendarm

- Celtypen, weefsels en echte organen


Pseudocoelaten

- 10 phyla

- 9 phyla kleiner dan 1000 soorten 1 phyla Nematoda (aaltjes): meer dan 1000000

- Nematoda is een zeer appart phylem

- Triploblast, 4d mesoderm(echte spieren), pseudocoeloom = blastocoel

- Groei = celvergroting niet vermeerdering.

- Buis in buis

- Spiercellen hebben uitlopers die contact maken met het zenuwstelsel (bij geen andere soort)

- C elegans = constant aantal cellen, elke cellijn bekend en compleet genoom


Protostomia

Blz 123 verschillen tussen Protostome en Deuterostome (Tentamenvraag !!!)


PROTOSTOMIA


Fylum Mollusca (weekdieren) (tekening blz 126)

- Gastropoda Huisjesslakken

- Bivalvia Schelpen

- Cephalopoda Inktvissen


Schelp graaft: Zet zich schrap met schelp open (ribbels mooi op graafrichting) vervolgens gaat zijn voet naar beneden en pompt hij bloed in de punt van zijn voet zodat die bol wordt , vervolgens doet hij zijn schelp dicht en trekt hij zich naar beneden. En dan nog een paar keer. De sipho wordt opgevreten door platvissen en regenereerd snel Platvissen Rulen !!!


Fylum Annelida (gelede wormen) (tekening blz 127)

- Oligochaeta Regenwormen

- Polychaeta Zeeduizendpoten (tekening blz 127 Geheel en doorsnede)

- Hirudinea Bloedzuigers


Sheet blz 124 geleedpotigen. (tekening blz129)


Arthropoda (geleedpotigen) = top van protostomen:

- reeks segmenten: pseudometameer

- secundair gereduceerd coeloom: watersketet exoskelet

- Hefboom locomotie

- Hard gelooid exoskelet (chitine - CaCO3)


Problemen door hard exoskelet:

- Ademhaling kieuwen, tracheeen, longen

- Groeien vervellen (tijdelijk een zachte huid)

- Locomotie (verplaatsing) allemaal ringetjes bij pootjes met schanieren ertussen. Daarvan komt de naam geleedpotigen.


Het is niet duidelijk de geleedpotigen convergentie is of monofyletisch is.


Vragen bij figuur blz 129A

- reductie v/h aantal segmenten

- tagmose ? kop/borst/buik ?

- Uit hoeveel segmenten bestaan de kop/borst/buik dan ?? (bijvoorbeeld 4 segementen dan ook 4 pootpaartjes zijn bijvoorbeeld kaken geworden of gewoon nog poten)

- Uit hoeveel segmenten bestaat de kop?

- Wat is er dan met de poten gebeurd? Heeft er pootspecialisatie plaatsgevonden.


Bijvoorbeeld van bij een kreeft:

- Er heeft reductie plaats gevonden

- Er heeft tagmose plaatsgevonden we hebben kop - borst - abdomen

- Kop = 5 - borst = 8 - abdomen is variabel

- Kop bestaat uit 5 segmenten

- Kop:1 antennula 2 antenna 3 mandibula 4 maxilla 5 maxilla

- Borst 1, 2 en 3 maxillipede 4 Chelapode (schaar) 5,6,7 en 8 looppoten

- Abdomen 1 t/m 5 zwempoten 6 uropode (Waaiervormige flappen op staart)


Bijvoorbeeld insect:

- Er heeft reductie plaats gevonden

- Ja Kop: 4 - Borst: 3 - Buik: Variabel

- Kop bestaat uit 4 segementen

- Kop: 1 antenna 2 mandibula (kaak) 3 maxilla 4 maxilla (vergroeit tot Labium)

- Borst 1,2 en 3 looppoten (dus 6 in totaal) (op 2 en 3 eventueel vleugels : NIET afgeleid uit poten)

- Buik alle poten verdwenen.

Bouwplan van spin hoef je niet te kennen..


Echinodermata:

- Crinozoa

- Asterozoa (zeesterren)

- Echinozoa (zeeegels)


Ze zijn deuterostoom

Kenkmerken:

- Pentamere radiaire symetrie

- Subepidermaal skelet (mesodermaal) CaCO3

- Tripartiet coeloom

- Zenuwstelsel supepidermaal


Zeester: (tekenig blz 130)

Cardia maag kan naar buiten en prooi omsluiten

In blindzakken kan voedsel worden opgeslagen en verteerd.

Pylorische klieren

Gonade niet altijd aanwezig.

Madreporeplaat (openingen voor water met daarachter het watervatstelsel (steenkanaal)

Steenkanaal versterkt met ringetjes van CaCO3 het steenkanaal sluit aan op het ringkanaal dat om het darmkanaal loopt en vanuit dat ringkanaal loopt naar elke arm een dwarskanaal en op elk radiair kanaal staan dwarskanaaltjes. De functie van het systeem is om via een ampulle het buisvoetje te bedienen de zuignap dus)

Pedicellarium = kleine schaartjes om parasieten en vuil te verwijderen.


Chordata

- deuterostoom

- ook mesodermaal endoskelet

- ook subepidermaal zenuwstelsel (hol)

- tripariet coeloom

- Filterfeeders

Verschillen met stekelhuidigen

- Chorda (bij vertebraten wordt de chorda vervangen door de wervelkolom)

- Kieuwspleten (ademhaling + zeef)

- Post- analae staart


Chordata:

- (Hemichordata) (soms als fylum soms apart) bijvoorbeeld eikelwormen

- Urochordata

- Cephalochordata

- Vertebrata ( Agnatha en gnathostometa)



Zakpijp en larve blz 131

Lancetvisje blz 132

Buis van Eustachius gehoorbeentjes = kieuwskelet


Kieuwbogen: elke kieuwboog heeft een eigen zenuw, bloedvatstelsel


Bloedvaten in kieuwbogen vormen ook ons bloedvatstelstel.


Agnata:

- Prikken, slijmalen

- Gnathostometa - Chondrichthyes (haaien,roggen)

- Osteichthyes - Sarcopterygi - Dipnor

- Crossoptergi (Latimaria)

Chondrostei (steuren)

Neopterygi

Teleostei



Klopt niet helemaal hierboven.