HOME: VERDEC

VERSLAG EXCURSIE NATURALIS



Daniel Cremers 1235532



  1. Wat is de samenstelling van de gesimuleerde oer-atmosfeer?

De samenstelling was: koolstofdioxyde, stikstof en waterdamp.

  1. Hoe verkreeg Miller deze atmosfeer?

Door de stoffen in een glazen bol samen te brengen in de juiste proporties.

  1. Welke organische materialen kon Miller op deze manier verkrijgen?

Miller kon aminozuren verkrijgen.

  1. Wat vind je van de gedachte dat het leven op deze manier is ontstaan?

Ik vind dat Miller's experiment niets heeft bijgedragen aan de waarheid achter het ontstaan van het leven. Aminozuren leven namelijk niet.

  1. Wat wordt met deze bollen aangegeven?

Deze bollen duiden aan dat bestaande organismen fuseren met elkaar.

  1. Welke drie gebeurtenissen worden hiermee uitgebeeld?

Het ontstaan van eencelligen met een kern, het ontstaan van cellen die zich later ontwikkelden tot dieren en schimmels en het ontstaan van cellen waar de planten van afstammen.

  1. Welke organismen waren bij deze gebeurtenissen betrokken en welke zijn hierdoor gevormd?

Purperbacterien en geigerbacterien zijn betrokken bij de eencelligen met een kern, eencelligen met een kern en spiraalbacterien zijn betrokken bij de dierlijke cellen en schimmels en die cellen samen met blauwwieren vormen weer de plantaardige cellen.

  1. In welk geologisch tijdperk waren trilobieten dominant?

Aan het einde van het Devoon en het begin van het Carboon.

  1. Tot welk fylum behoren de trilobieten?

Tot de Anthropoda.

  1. Aan welke nu nog levende groep in dit fylum zijn de trilobieten het meest verwant?

Naar mijn vermoeden lijken ze het meest op de huidige pissebedden. Dat zijn de Isopoda.

  1. Wat zijn de verschillen tussen de nu nog levende vertegenwoordigers van die groep?

Wat me het meest opviel waren de voelsprieten die veel groter waren bij de trilobieten dan bij de pissebedden, maar ook het leefmilieu was anders. De trilobieten leefden op de zeebodem, terwijl de huidige pissebedden op het land leven.

  1. Zoek Marella splendens, een sleutelsoort die een belangrijke rol gespeeld heeft in het Burgess Shale drama. Maak een simpele schets van het dier.











  1. Waarom zijn van bacteriën, planten en schimmels minder fossielen bekend?

Omdat ze geen harde delen bezitten. Nadat ze waren gestorven werden ze totaal verteerd en bleef er helemaal niets van ze over.

  1. Zijn de schimmels op te vatten als een mono- of polyfiletische groep?

Ze stammen volgens de stamboom af van een gezamenlijke voorouder, dus zijn ze een monofyletische groep.

  1. Welke evolutietakken kunnen onderscheiden worden bij de Chlorobiota?

Roodwieren

Groenwieren

Draadalgen

Ankerwieren

Pantserwieren

Oogvlekwieren

  1. Wat waren de eerste vaatplanten? Welke geologische periode vormde de bloeitijd van deze plantengroep?

De eerste vaatplanten waren: Rhynia, oervarens, schubplanten en oermossen. Ze hadden hun bloeiperiode in het Devoon.

  1. Wat was de bloeitijd van de naaktzadigen?

De bloeitijd van de naaktzadigen was het Devoon.

  1. Wanneer evolueerden de bloemplanten uit de zaadvarens?

Tijdens de overgang van het Jura in het Krijt.

  1. Tot welk fylum en welke klasse behoren de ammonieten?

Tot het fylum Mollusca en de klasse Cephalopoda.

  1. In welke periode zijn de ammonieten uitgestorven?

Ze zijn uitgestorven tijdens het Carboon.

  1. De Ammonoidea en Nautiloidea hadden een uitwendige schelp met verschillende kamers. Hoe leefden de dieren in deze schelp?

Waarschijnlijk net als de slakken van tegenwoordig. Als er gevaar dreigde, trokken ze zich erin terug. Als er geen gevaar was, dan sleepten ze hem met zich mee over de zeebodem.

  1. Wat was waarschijnlijk de functie van de schelp?

De functie was waarschijnlijk om het weke diertje te beschermen tegen predatie.

  1. In welke periode zijn de meeste coelocanthen uitgestorven?

De meeste zijn uitgestorven tijdens het einde van het Devoon.

  1. In de borstvin en de buikvin van de vis zijn skeletdelen te zien. Hebben alle vissen dit? Welke groepen wel en welke niet?

Niet alle vissen hebben in hun buikvinnen skeletdelen zitten. De nakomelingen van de Sarcopterygians hebben wel botten in hun vinnen en de nakomelingen van de Actinopterygians hebben de botten niet.

  1. Welke structuur bij de amfibieën is geëvalueerd uit deze skeletdelen?

Waarschijnlijk de looppoten die aan de ruggengraat waren gehecht.

  1. Tot welke groep behoort Camarasaurus?

Hij behoort tot de hagedisachtigen.

  1. Wat was de functie van het sterk naar voren stekende deel van de heup bij deze groep dinosauriërs?

Waarschijnlijk een aanhechtingsplaats voor de spieren van de poten.

  1. Welke vertegenwoordiger van de dinosauriërs staat in het museum opgesteld die het andere heuptype heeft?

De Edmontosaurus annectens.

  1. In welke periode stierven de dinosauriërs uit?

Ze stierven uit in de periode van de overgang van het Krijt in het Palioteen

  1. De derde grote uitgestorven groep reptielen zijn de pterosauriërs, vliegende reptielen. Aan welk van de drie groepen zijn de vogels het meest verwant?

Aan de dinosauriërs.

  1. Zoek het fossiel van Archaeopteryx. Waaraan kan je zien dat dit een vogel is? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen met pterosauriërs?

De verschillen zijn een lichtere bouw, veren en een betere aanhechtingsplaats voor de spieren van de vleugels. De overeenkomst is dat beide konden vliegen, tanden en klauwtjes hadden.

  1. Welke zes Homosoorten zie je in het museum?

Homo Habilis, Homo Ergaster, Homo Heidelbergensis, Homo Neanderthalensis, Homo Erectus en Homo Sapiens.

  1. Er is ook een model van een fossiel van een van de aapmensen opgesteld: Australopithecus africanus. Wat vindt je van de stamboom die het museum geeft voor de relatie tussen Homo en Australopithecus africanus?

Het is een heel erg versimpelde versie van de stamboom die nu als de meest waarschijnlijke wordt bestempeld.

  1. Zoek van elk van deze bouwplannen een vertegenwoordiger en noteer de naam.

Van de sessiele filterfeeders met waterstroom door de ciliën heb ik de poliep uitgekozen. Van de mobiele filterfeeders met waterstroom door de ciliën heb ik de Axolotl gekozen, van de mobiele filterfeeders met een musculaire pomp heb ik de prik gekozen en voor de kaakvorming met gepaarde ledematen heb ik de haai gekozen.

  1. Noteer van elke groep een vertegenwoordiger.

Mensapen: chimpansee

Apen van de Nieuwe wereld: doodshoofdaap

Apen van de Oude wereld: mantelbaviaan

  1. Welke verschillen zie je tussen halfapen, echte apen en mensapen in de klauwen van de handen en voeten?

Halfapen hebben klauwen en minder ver ontwikkelde voeten. Echte apen hebben goed ontwikkelde handen en voeten die bijna hetzelfde zijn. Ze hebben nagels, soms klauwen. Mensapen hebben goed ontwikkelde handen en voeten met nagels, met een duidelijk tegenover staande duim, maar de voeten zijn bij die ontwikkeling achtergebleven.

  1. Hoeveel en welke soorten mensapen zijn hier opgesteld?

Van de mensapen zijn er drie opgesteld: gorilla, orang-oetan en chimpansee.

  1. Welke mensaap vertoont de grootste overeenkomst met je medestudent?

Een heel klein beetje de chimpansee, maar de neus klopt voor geen meter.