HOME: VERDEC

Practicum Evolutionlab

Daniel Cremers 1235532



1. Invloed van de beginwaarde voor snavelgrootte (tevens kennismaking)..

A. Wat merk je op in de grafiek van de snavelgrootte?

De snavelgrootte op het eiland waar ik die op 12 cm had ingesteld, is veranderd naar 30 cm.

B. Is er sprake van een bepaalde trend in de snavelgrootte?

Ja, de snavelgrootte heeft een bepaald optimum waar het naar neigt. Dat optimum ligt rond de 30 cm.

C. Wat voor veranderingen zie je bij de populatiegrootte?

Op het eiland waar de vinken een snavelgrootte hadden van 12 cm, was de populatie veel kleiner dan op het eiland waar de snavelgrootte lag op 28 cm. Dit komt doordat de vinken met een snavelgrootte minder fit waren. Door een verkeerde snavel konden ze niet zo goed leven op het eiland als de andere soort vinken.

D. Komt dit overeen met jou hypothese?

Mijn hypothese is dat als er op een eiland veel zaden zijn die het beste met een grote snavel te eten zijn, de vogels met een grote snavel het beste kunnen leven op dat eiland. Deze hypothese wordt door de gegevens bevestigd.

E. Kijk naar de histogrammen: wat merk je op aan de snavelgrootte?

De standaard normaalverdeling van de groep vinken met een snavel van 12 cm, beweegt langzaam in de loop van de tijd met zijn gemiddelde naar een gemiddelde waarde van 30 cm.

F. Is dat wat je ervan had verwacht?

Ja, net zoals ik al eerder op de grafieken had vernomen gaat de snavelgrootte naar een bepaald optimum. Op de histogrammen zal dat natuurlijk niet anders zijn.

CONCLUSIE:

Mijn conclusie is dat de snavelgrootte bij vinken kan evolueren tot ze een bepaalde waarde heeft aangenomen die optimaal is voor de omstandigheden waarin de vinken verkeren.



2. Invloed van de regenval.

A. Stel een hypothese op die aangeeft wat voor invloed de regenval kan hebben op de snavelgrootte.

Als er veel regen valt, dan groeien er zachte zaden. Deze zaden kunnen gemakkelijk worden gegeten door een vogel die een kleine snavel heeft. Maar als er weinig regenval is, dan groeien er alleen zaden die hard zijn en die alleen door een vogel gegeten kunnen worden die een grote snavel heeft. Het verband tussen de snavelgrootte en de regenval is dus, dat de regen invloed heeft op de groei van bepaalde zaden en dat die weer invloed hebben op de grootte van de snavel van de vinken.

B. Stel een hypothese op die de invloed van de regenval op de populatie grootte verklaart.

Als er weinig regen valt, worden de zaden gemiddeld genomen harder. Vinken met een dunne snavel kunnen de zaden niet kraken en gaan dood van de honger. Onder een populatie met individuen met een zwakke snavel zullen er dus veel sterven. De vinken met een stevige snavel zullen overleven en tenslotte gaan domineren in de populatie.

C. Heb je een bepaalde trend kunnen opmerken in de snavelgrootte? Verklaar die trend.

Ja, de snavelgrootte op het eiland waar tamelijk veel regen viel daalde en de snavelgrootte op het eiland waar amper regen viel steeg heel veel. De verklaring hiervoor is dat op een eiland waar veel zachte zaden groeien het niet nodig is voor een vink om een sterke snavel te hebben. Als er daarentegen harde noten zijn die de vink moet eten, komt hem daar een stevige snavel goed bij te pas.

D. Voer het zelfde experiment uit op beide eilanden. Je gebruikt daar dezelfde waarden voor de neerslag voor. Merk je verschillen op?

Ja, de twee populaties reageren verschillend op de regenval. Dit komt waarschijnlijk doordat het programma werkt met de mogelijkheid van toeval. Dat betekend dat de resultaten nooit precies overeen zullen komen op beide eilanden.

CONCLUSIE: de regenval heeft invloed op de gemiddelde snavelgrootte van een bepaalde soort.



3. Vormen van natuurlijke selectie.

A. Door de regenval op het Wallace eiland te vergroten en op het Darwin eiland te verlagen, moet je proberen te bepalen wat voor soort van selectie er op beide eilanden plaats gaat vinden in de komende 300 jaar.

Op het Darwin eiland vindt in de loop van de tijd directionele selectie plaats en op het Wallace eiland vindt stabiliserende selectie plaats. Dit komt doordat er op het Darwin eiland wordt geselecteerd op individuen met een sterke snavel, waardoor het gemiddelde zich langzaam verplaatst naar een groter snavelgrootte en op het Wallace eiland er praktisch niet wordt geselecteerd, omdat alle individuen de aanwezige zaden kunnen eten. Er zal zich op het Wallace eiland een groep vormen die beide soorten noten het best kan eten en die zal dus de meeste vertegenwoordigers hebben.

B. Vergelijk beide eilanden als het gaat om de populatiegrootte.

Op het Wallace eiland stijgt de populatie vinken geleidelijk, terwijl die op het Darwin eiland in het begin drastisch daalt en pas later weer stijgt. Dit laatste komt doordat er zoveel individuen niet aangepast zijn aan de harde zaden. Deze kunnen het niet overleven en gaan dood.

CONCLUSIE: Als er sprake is van een stijging of daling van het gemiddelde van een bepaalde grootte, dan is er sprake van directionele selectie. Als een groep steeds dichter op zijn gemiddelde komt te liggen, dan is er sprake van stabiliserende selectie. Als het gemiddelde van een bepaald kenmerk twee richtingen op gaat, omdat ze beide gunstig zijn, dan spreken we van disruptieve selectie.

4. Het effect van broedselgrootte.

A. Stel in dat een nest gemiddeld 6 eieren heeft, de regenval 37 cm is en de snavelgrootte 37 is. Wat merk je op?

Dat de snavelgrootte niet een optimum heeft. In de experimenten die ik heb uitgevoerd werd de snavel steeds steviger of juist zwakker bij dezelfde omstandigheden.

B. Welke variabele zou je veranderen om dit te voorkomen?

Het aantal eieren zou groter moeten worden evenals de grootte van het eiland en de variantie, dan zou je pas goed kunnen zien wat de optimale snavelgrootte is.

C. Wat voor soort selectie treedt op in de eerste jaren van het experiment?

Er treedt directionele selectie op.

D. Wat zou er gebeuren op het eiland als er assortive mating plaats zou vinden?

Assortive mating zou inhouden dat de vinken met elkaar zouden paren op basis van uiterlijke kenmerken. Een mutant zou dan minder kansen hebben op een partner, wat zijn fitness tot nul zou doen dalen. De evolutie in een meer gunstige richting zou dan nauwelijks plaats vinden. De populatie zou dan geen schommelingen in de omstandigheden kunnen overleven.

CONCLUSIE: De broedselgrootte heeft effect op de populatie en de aanpassingssnelheid.

5. De invloed van de eilandgrootte.

A. Stel een theorie op die de het verband aangeeft tussen de eilandgrootte en de snavelgrootte van de vinken.

Op een klein eiland kunnen weinig vinken leven. Hierdoor is de populatie klein en de kans dat een mutant dominant wordt klein. Als het eiland groot is, kunnen er veel vinken op leven. De populatie is dus groot en de kans dat een mutant dominant wordt is dan groot.

B. Wat voor invloed had de grootte van het eiland op de vinken populatie?

De grootte van het eiland had invloed op de populatie, omdat er maar een bepaalde groep op kon leven. Voor meer individuen was geen plaats op het kleinere eiland. Die bleef dus klein vergeleken met de populatie op een groot eiland.

C. Wat voor invloed had de grootte van het eiland op de snavel grootte?

Doordat er op het kleinere eiland een kleinere populatie was, ging de evolutie daar langzaam. Dit gaf de vinken niet de mogelijkheid snel genoeg over te stappen op een ander type zaad, waardoor ze uitstierven. Op het grote eiland evolueerden de vogels tot de meest optimale vorm en konden zich dan ook gemakkelijk vermenigvuldigen.

D. Komen de resultaten overeen met wat ik had verwacht?

Ja, omdat de kleine eilanden vinkenpopulaties hadden met aanpassingsproblemen.

CONCLUSIE: de eilandgrootte heeft invloed op de snavelgrootte en de populatie.

6. De invloed van de variantie.

A. Stel een hypothese op die het verband aangeeft tussen de variantie en de snavelgrootte.

Als de variantie, dus de verschillen tussen de individuen, groot is, dan kan de populatie zich makkelijker aanpassen aan bepaalde omstandigheden. Bij een droog klimaat bijvoorbeeld, kan zo een groep makkelijker een sterkere snavel ontwikkelen dan een groep met een lage variantie.

B. Stel een hypothese op die het verband tussen de variantie en de populatiegrootte weergeeft.

Als de variantie groot is, kan een soort zich makkelijker aanpassen aan de heersende omstandigheden. Hierdoor is de overlevingskans van de soort groter. Er blijven dus meer individuen in leven bij wisselende omstandigheden in een groep met een grote variantie dan in een groep met een lage variantie.

C. Voer een experiment uit waarbij je de variantie op een eiland laag zet en op het andere eiland hoog. Vergelijk de populatiegrootte.

Op het eiland waar de variantie laag was, begon de populatie laag en steeg daarna geleidelijk. Op het eiland waar de variantie groot was, bleef de populatie stijgen.

D. Voer nu een soortgelijk experiment uit, maar verander nu de neerslag.

Ik had op beide eilanden de regenval praktisch nul gehouden. De vinken met een kleine variantie stierven uit, terwijl de vinken met een grote variantie goed konden leven en zelfs in aantallen bleven groeien.

CONCLUSIE: de variantie heeft invloed op de populatiegrootte en de aanpassingssnelheid van een soort.