Tentamen immunologie 2002-2003 (januari 2003)

Succes!

1

a)     Leg uit hoe de verschillende antigeen soorten binnen het B cel repertoire worden gevormd.

b)     Geef aan welke van deze mechanismen antigeenafhankelijk zijn.

c)     Wat is ďallelic exclusionĒ en waarvoor dient het?

2

a)     Waar komen de precursors voor T cellen vandaan?

b)     Waar worden mature T cellen gevormd?

c)     Hoe moet een T cel gestimuleerd worden om van een naÔeve T cel een effector T cel te worden?

d)     Welke verschillende effector T cellen bestaan er en wat is hun verschil in functie?

3

a)     Leg uit hoe binding aan een antigeen receptor tot een gen transcriptie leidt?

b)     Geef aan welke elementen in de B cel receptor hiervoor noodzakelijk zijn.

4

a)     Waarom biedt vaccinatie (met verzwakt of gedood pathogeen) langdurige bescherming tegen infectie?

b)     Leg uit waarom de antilichaam respons tegen polysacharide antigenen beter wordt als deze aan een eiwit zoals tetanus toxoid wordt gekoppeld?

5

Beschrijf kort de bouw en functie van de lymfeklier. Geef daarbij aan welke cellen zich in welke compartimenten bevinden.

6

a)     Wat is ďinnate immunityĒ?

b)     Noem twee typen cellen die daarbij een rol spelen en bespreek kort hun herkomst, levensduur en functie.

7

a)     Bespreek kort de 4 verschillende fasen die er toe leiden dat de neutrofiele granulocyt uit de bloedbaan treed bij een bacteriŽle infectie.

b)     Welke herkenningsmechanismen spelen daarbij een rol?

8

De ziekte van Pfeiffer wordt veroorzaakt door Epstein-Barr virus (EBV). Bij geÔnfecteerde patiŽnten worden grote hoeveelheden antilichaam tegen het EBV eiwit EBNA3a gevonden. Leg uit hoe je dmv een ELISA een diagnostische test voor de ziekte van Pfeiffer ontwikkelt. Beschikbaar zijn o.a. sera van patiŽnten en controles en recombinant EBNA3a eiwit.

9

a)     Welke verschillenden routes van antigeenpresentatie zijn er en waarom?

b)     Welke interacties komen er uiteindelijk tot stand via MHC-I respectievelijk MHC-II en in welke respons resulteert dit?

c)     Op welke cellen zit MHC-II en op welke MHC-I?

d)     Hoe kunnen virussen interfereren met de MHC-I route? Noem geen gedetailleerde voorbeelden, maar beschrijf kort minimaal 3 verschillende mogelijkheden.

Punten toekenning:

Vraag 1 t/m 8 = 10 punten

Vraag 9 = 20 punten

Vergeet niet tijdens het tentamen je naam & studenten nummer op ieder blaadje te schrijven!