1

a)     Welke antigeenonafhankelijke mechanismen, die tijdens de ontwikkeling van een B lymfocyt optreden, bepalen de antigene-specifiteit van de cel?

b)     Wat is “class switching” en hoe draagt dit bij aan de functies van het antilichaam?

2

a)     Wat is “somatische hypermutatie” en waarvoor dient het?

b)     Wat is hierin de functie van de folliculair dendritische cel (FDC)?

3

a)     Wanneer een antigeenpresenterende cel antigeen presenteert aan een T lymfocyt, welke signalen zijn dan noodzakelijk voor herkenning door de T-celreceptor.

b)     Hoe wordt deze beperkte herkenning van T cellen ook wel genoemd?

c)     Hoe worden, in algemene zin, voor zowel B als T cellen, signalen via de antigeen receptor van buitenaf naar de binnenkant van de cel doorgegeven?

d)     Welke transmembraan eiwitten zijn hiervoor essentieel in B cellen en welke in T cellen? Middels welke motieven wordt dit signaal doorgegeven?

4

a)     Wat bepaalt of lymfocyten vanuit de bloedbaan naar de lymfoïde organen kunnen migreren?

b)     Wanneer CD4+ T cellen eenmaal binnen zijn gekomen in de lymfoïde organen, langs welke antigeen presenterende cellen kunnen de cellen dan gaan op zoek naar een antigeen dat ze herkennen?

5

Beschrijf kort de myeloide bloedvorming. Waar gebeurt het? Wat zijn de voorlopercellen? En, hoe wordt het gereguleerd?

6

Beschrijf kort de bouw en functie van de milt. Geef daarbij aan welke cellen zich in welke compartimenten bevinden.

7

Welke drie fasen treden er op in de afweer tegen een infectie en welke cellen zijn van belang in de verschillende fasen. Hoe kunnen je verklaren dat er bij herïnfectie een snellere en effectievere respons optreedt?

8

In de onderstaande figuur is het resultaat van een experiment uitgezet, waarin de antigeen coating wordt geoptimaliseerd, om m.b.v. een indirecte ELISA antilichamen tegen HIV Gp120 te meten. Op de X-as is de verdunning van het serum van een seropositieve patiënt uitgezet. Welke concentratie Gp120 levert de meest bruikbare en nauwkeurige meetmethode op? Leg uit.

9

a)     Welke verschillende routes van antigeen presentatie bestaan er?

b)     Waarom zijn er verschillende routes?

c)     In wat voor respons resulteren de verschillende routes?

10

a)     Noem drie manieren waarop virussen kunnen interfereren met antigeen presentatie?

b)     Welke bijdragen leveren natural killer cellen in de afweer tegen virussen?

c)     Hoe leidt HCMV natural killer cellen om de tuin?